Over de 'ars dictaminis'(1)

door Ton Lenssen

Een van de belangrijkste lijnen van ontwikkeling in de intellectuele geschiedenis van Europa is die van de lotgevallen van het antieke cultuurgoed. Zij komt vooral tot uiting in de belangstelling voor en het gebruik van het latijn. In de eerste helft van de Middeleeuwen werd dit gewaarborgd door de monniken. Tijdens de Renaissance waren het in hoofdzaak de humanisten die het latijn beoefenen, maar in de tweede helft van de Middeleeuwen zouden, volgens de bekende stelling van P.O. Kristeller, de "dictatores", de voorlopers van de humanisten van de Italiaanse Renaissance, de voornaamste dragers van het latijnse erfgoed zijn geweest en de "translatio studii" hebben voltooid. Deze "dictatores" waren de beoefenaren van de "ars dictaminis".
De "ars dictaminis", die op het einde van de 11e eeuw tot ontwikkeling kwam, wordt afwisselend voorgesteld als uitermate belangrijk en als een nauwelijks terzake doend randverschijnsel. De rechtshistoricus Wieacker(2)ziet er niet meer in dan een bijvak voor juristen; volgens Gerbenzon/Algra(3) daarentegen heeft zich uit hun vak het geleerde recht ontwikkeld. P.O. Kristeller(4) schrijft dat de humanisten de nazaten van de middeleeuwse "dictatores" zijn; Helen Waddell noemt deze discipline "...that bastard of literature and law, the art that undermined the serious study of antiquity...".(5)Mediëvisten definiëren haar als een van de - niet postitief bedoelde - "fragmenten" waarin de retorica volgens hen in de Middeleeuwen was uiteengevallen.(6)
Niet alleen echter wordt er verschillend gedacht over de betekenis van de "ars dictaminis", maar uit de aangehaalde auteurs blijkt ook dat zij haar rol speelde op verschillende gebieden.(7)Bij de ene categorie schrijvers heeft de "ars dictaminis" al dan niet betekenis voor de ontwikkeling van de literatuur, bij de andere voor de rechtsgeleerdheid. Verderop zal blijken dat zij ook nog van betekenis is geweest bij de ontwikkeling van politieke en bestuurskundige ideeën. Daarnaar is onderzoek verricht door o.a. Q. Skinner.(8)Hiermee zijn de gebieden waarop de vraag naar haar betekenis speelt, zelfs nog niet uitgeput. Het citaat van Waddell suggereert dat er een tussengebied is tussen recht en literatuur waarop de "ars dictaminis" ook, zij het als illegitiem kind, optreedt en dat misschien wel haar eigenlijke domein is. Het vakgebied van "law and literature"?(9)

Inleiding

De 'ars dictaminis' was de middeleeuwse leer voor het redigeren van teksten. Men trof er o.a. richtlijnen in aan voor de indeling en de stijl van een tekst. De beoefenaren ervan werden 'dictatores' genoemd. Zij werden onderscheiden in leraren van de 'ars' en beoefenaren ervan. Een volgens de leer opgesteld stuk was een 'dictamen'(10) en de boeken waaruit men het vak kon leren, duidt men aan als 'artes dictandi'. In het algemeen verdeelde men de 'dictamina' in proza- en metrische en/of ritmische, d.w.z. poëtische teksten. Sommige dictaminale teksten waren gedeeltelijk in proza, gedeeltelijk metrisch geschreven en droegen dan de naam 'prosimetrum'. De belangstelling van de 'dictatores' ging vooral uit naar het proza.
Men zou ter vergelijking kunnen denken aan een uiterst recent boek als Schrijfwijzer (2e druk, 's Gravenhage 1989) van Jan Renkema. Dit behandelt o.m. de opbouw van een tekst, zinsbouw en woordgebruik, spelling en leestekens. Voorbeelden zijn ontleend aan 'brieven, folders, gebruiksaanwijzingen, kranten, notulen, scripties en rapporten', zoals het voorwoord vermeldt. Aanvankelijk, in de eerst druk, bedoeld voor 'schrijvers in overheidsdienst' (ambtenaren en voorlichters), richt de volledig herziene tweede druk zich op een veel grotere doelgroep waartoe ook journalisten en wetenschapsmensen behoren. Aangezien ook veel voorbeelden zijn ontleend aan de verhalende literatuur, kunnen literaire schrijvers eveneens veel aan het werk hebben.
Zulk soort boeken waren ook de 'artes dictandi'. Meestal bevatten zij een aantal richtlijnen en een verzameling voorbeelden of modellen. De verhouding tussen deze twee bestanddelen varieerde enorm, maar in het algemeen lag de nadruk op de modellen-verzameling. Soms gebruikte men alleen maar zo'n collectie, zonder theoretische of praktische toelichting. Dat correspondeerde met de manier waarop men in de Oudheid op sommige gebieden leerde schrijven. Zo zijn ons geen handleidingen voor het redigeren van juridische of ambtelijke stukken bekend en leerde men het vak in eerste instantie door nabootsing van dergelijke teksten van anderen, uiteraard liefst meesters in het vak. Redenaars daarentegen konden al heel vroeg, in ieder geval in de tijd van Cicero, beschikken over goede handleidingen, waarnaast overigens ook modellen werden gebruikt. Ook literaire schrijvers oefenden zich door imitatie, hoewel zij in de grammatica en de retorica terecht konden voor een meer theoretische behandeling van de stijlfiguren.

Het vak

'Dictatores' waren geen kopiïsten. Zij componeerden werken. Hun taak was niet het overschrijven ervan. Een kopiïst hoefde alleen maar te kunnen schrijven. "Dictatores" ontleenden hun naam aan het feit dat zij 'dicteerden'.(11) Zij waren meer 'ontwerpers' dan 'uitvoerders'. Zoals een moderne zetter of typiste of zelfs een corrector de taal waarin teksten zijn geschreven, niet hoeft te kennen, zo hoefde de kopiïst dat ook niet. De 'dictator' uiteraard wel. Hij beheerste dus de grammatica en de compositieleer van de taal waarin hij schreef, in de Middeleeuwen het latijn. Hij was wat wij een tekstschrijver zouden noemen. Tot zijn normale bagage behoorde kennis, op middelbare schoolniveau, van de grammatica, de retorica en de dialectica, tesamen het trivium vormende, waarin het houden van redevoeringen, het voeren van discussies en het redigeren van teksten was opgenomen. Nadat hij deze vorming doorlopen had, kon hij zich specialiseren, in hoofdzaak in juridische, theologische, historische richting of zelf leraar in het vak worden (en daarover publiceren).
Hoogstwaarschijnlijk was de 'ars dictaminis' een beroepsopleiding na het trivium, maar niet van hetzelfde niveau als de rechten- en theologiestudie. Wie de overgeleverde studieboekjes leest wordt onmiddellijk getroffen door de overeenkomst met richtlijnen voor de retorica. De 'ars' wordt dan ook vaak gedefinieerd als een afgeleide van dit laatste vak. Deze afleiding lag min of meer voor de hand. Men hoefde immers de voorschriften voor het redigeren van gesproken redevoeringen maar over te brengen op het redigeren van geschreven stukken. In beide gevallen ging het om betogende teksten. Hun structuur kon dus hetzelfde zijn: exordium, narratio, partitio, confirmatio, refutatio en conclusio.
Zulke latijnse termen zeggen tegenwoordig niet veel meer, maar als men ze vertaalt en verklaart blijkt de indeling van een retorisch betoog heel "logisch" te zijn. De retorica was niet alleen maar een trukkendoos. Zij was een communicatietechniek(12) en bestudeerde de communicatie door middel van de taal. De communicatie die hier wordt bedoeld is er een van een bepaalde soort. Zij veronderstelde een meningsverschil en bestond dus uit wat wij een discussie noemen.(13)
Het eerste vereiste voor communicatie is natuurlijk de aandacht van de ene gesprekspartner voor hetgeen de andere zegt. Dat was de "benevolentia", de welwillendheid, die meteen aan het begin van het gesprek tot stand moest komen. Een spreker, wiens belang immers was dat de ander hem hoorde en verstond, kon niet uitgaan van aandacht bij de tegenpartij, maar moest er ook naar toewerken (het "exordium" met de "captatio benevolentiae"). Dan moest hij de tegenpartij een exposé van de feiten, de casus, geven over de waardering waarvan verschil van mening bestond ("narratio"), gevolgd door een aanvankelijk idee, een globaal overzicht van wat hij te berde ging brengen ("partitio"). Vervolgens kwam de rangschikking van de gezichtspunten en de argumenten die pleitten voor het standpunt van de redenaar ("confirmatio"). Bij communicatie speelt niet alleen een zakelijke inhoud een rol, maar treden ook verveling, "o, ik heb het al gehoord", neiging om het betoog af te breken en zijn eigen gezichtspunt naar voren te brengen e.d. op. Daarom is het van belang om de gezichtspunten op een de aandacht gaande houdende manier te brengen, waardoor men voor zichzelf de gelegenheid schept uit te praten en voor de toehoorder het aanhoren aantrekkelijk of spannend maakt. De gezichtspunten moeten ook zo volledig mogelijk zijn. Wie een antwoord krijgt in de trant van "Ja, u zegt dat nu wel zo, maar u bekijkt het alleen maar van de morele kant en laat het theologische, juridische, ethische aspect helemaal buiten beschouwing," kan opnieuw beginnen. En een redenaar deed er goed aan ook de tegenargumenten te bespreken ("refutatio"). Vervolgens moest er worden samengevat, geconcludeerd ('conclusio"). Alle overwegingen moeten daarin verdisconteerd zijn. En dan volgt het einde. Men moet als het ware de opgebouwde aandacht afbouwen. Het is, uit een oogpunt van goede communicatie, niet wenselijk een door vele argumenten en de ontzenuwing van tegenargumenten verzekerde klap (van de waarheid) aan zijn gesprekspartner te verkopen, maar hem te verzekeren van een niet verstoorde verstandhouding. Juridische kennis was alleen maar nodig voor een gering deel van de "argumentatio". Voor de overgrote rest ging het om geciviliseerde conversatie, nodig, wilde men zijn standpunt overbrengen.
De retorica was waarschijnlijk, al meteen bij haar ontstaan in de 5e eeuw v. C., de vroegste poging om conversatie die vaak alleen maar uit emotioneel geschreeuw of uit machtsspreuken danwel dogmatische stelligheden bestaat, een zekere rationaliteit te geven. In ieder geval leverde zij een gestructureerd betoog dat de toehoorder, gesprekspartner geworden, stap voor stap kon kritiseren en corrigeren, waarop de eerste spreker repliceerde totdat er, in de ideale situatie, overeenstemming werd bereikt.
Zoals gezegd, was het niet zo verwonderlijk dat men naar deze conversatietechniek greep als model voor schriftelijke communicatie. Waarom dat pas in de 11e eeuw (na C.) plaatsvond is moeilijk te zeggen. Rond 1135 was er in Bologna in ieder geval een standaardindeling voor 'dictamina' ontwikkeld waarin men gemakkelijk de hiervoor weergegeven, aan Cicero ontleende indeling kan terugvinden. Zij is zo'n beetje de grondslag voor de verdere ontwikkeling gebleven. Wat daarbij opvalt is de grote aandacht die besteed werd aan de aanloop van het 'dictamen'. Een van de eerste schrijvers over de 'ars' had onderscheid gemaakt tussen het eigenlijk gezegde exordium en de salutatio (aanspraak of begroeting). Het exordium diende, zoals Cicero had gezegd, om de toehoorder welwillend, nieuwsgierig en aandachtig te maken. Men noemde dit deel van de tekst in de Middeleeuwen de captatio benevolentiae. Uiteraard ging de salutatio aan het exordium vooraf. Doordat zij afhankelijk werd gemaakt van de maatschappelijke stand van de toehoorder of lezer, in hoofdzaak dus de juiste aanspreektitel(s) bevatte, was zij meteen al een goed middel om de welwillende aandacht te trekken.

Ontwikkeling

Hedendaagse onderzoekers van de 'ars dictaminis' gaan er meestal van uit dat zij opkwam rond de overgang van de 11e naar de 12e eeuw en dat haar taak in de 16e eeuw werd overgenomen door nieuwere vormen van de kunst van het schrijven van brieven. Een goed overzicht over haar geschiedenis bezitten wij nog niet, hetgeen een gevolg is van een aantal factoren. Zo is er nog geen overeenstemming over het moment waarop de 'ars' is ontstaan. Sommigen zoeken dit in een eind 11e eeuws werkje van de monnik Alberico van Monte Cassino, 'Dictaminum radii' of 'Flores rhetorici'; anderen in de 'Praecepta dictaminum' van Adalbertus Samaritanus, leraar in Bologna, geschreven tussen 1111 en 1118. Het boek van Alberico is een studieboekje voor de retorica, die een kunst was van mondelinge communicatie.(14)Daarvan waren er vele. Het nieuwe is dat Alberico het in de behandeling van de retorica óók gaat hebben over het schrijven van teksten. Adalbertus gaat een heel stuk verder. Weliswaar laat hij de retorische kontekst niet helemaal los, maar hij zet een beslissende stap op de weg naar een verzelfstandigde 'ars', grotendeels los van de retorica. Hij voert de term 'dictator' voor de beoefenaars van het vak in en spreekt van de 'professionis officia', daarmee ook introducerende dat het om een professie gaat.(15) Bij Alberico was er dus nog slechts sprake van een aandachtspunt in het algemeen vormend onderwijs, het trivium, bij Adalbertus van een zelfstandige professie.
De discussies onder de 20e eeuwse onderzoekers over de aard van de 'ars' vinden hierin hun probleemstelling. Sommigen betreuren dat het 'dictare' werd losgemaakt uit de algemene vorming en daarmee van de klassieke studies. Het opstellen van stukken werd toen, menen zij, een handigheid, gemakkelijk te leren in een snelcursus voor secretarissen. Men kon er zonder de lange omweg van de studie der klassieken of van het Romeinse recht een baan mee krijgen.(16)Dit effect wordt nog versterkt door de tendens om beschouwingen in de handboeken over de "ars" zelf zo kort mogelijk te houden en het vooral te zoeken in kopieerbare modellen. Men ziet dan ook de ontwikkeling van de 'ars' als het heen en weer oscilleren tussen enerzijds het praktisch leren omgaan met modellenboeken, anderzijds het herstellen van de oorspronkelijke band met de humaniora. De eerste beweging leidde tot het ontstaan van het notariaat als afzonderlijke discipline, de tweede, op het einde van de 13e eeuw, tot een toegenomen belangstelling bij de 'dictatores' voor de humanistische studies.
De verdere lotgevallen van de 'ars dictaminis' kunnen als volgt worden samengevat. Vanaf de 70er jaren van de 12e eeuw is er een innige band tussen de 'ars dictaminis' en de 'artes poetriae', de literatuurtheorie dus. In de tweede helft van de 13e leggen 'dictatores' in hun beschouwingen en modellen bestuurskundige en politieke denkbeelden neer, zodat zij interessant worden voor de geschiedenis van de politieke ideeën. De 'ars dictaminis' heeft zich dan vanuit Italië verbreid naar Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje. In Frankrijk ondergaat zij de vruchtbare invloed van de vooral in Orléans heersende belangstelling voor de antieke schrijvers, die er, teruggeëxporteerd naar Italië, toe leidt dat de 'ars' op het einde van de 13e eeuw weer meer wordt beoefend in samenhang met de humaniora en de opkomst van het Renaissance-humanisme. In Italië zelf is zij inmiddels uitgebreid met de 'ars arengandi', de kunst van het spreken in het openbaar, en met de 'cursus', een bepaalde ritmiek in het proza die aan de pauselijke curia - overigens los van de 'ars dictaminis' - ontwikkeld was.
Dateerde men vóór de Tweede Wereldoorlog het ontstaan van het humanisme in de 15e eeuw, daarmee uiteraard aangevende dat de Middeleeuwen niet 'humanistisch' waren, sindsdien zoekt men de oorsprongen in de tijd van Dante of zelfs een generatie eerder. Het zijn dan vooral de 'dictatores' die het beoefenen. Opvallend veel van hen waren juristen, d.w.z. rechters, ambtenaren, diplomaten, notarissen e.d.(17)Het waren niet de in de rechtsgeschiedenis bekende 'glossatoren' en 'post-glossatoren'. Deze hielden zich, ook al vanaf het einde van de 11e eeuw, bezig met de herintroductie van het Romeinse recht zoals dat te vinden was in de uit de 6e eeuw daterende 'Digesten' van keizer Justinianus. Hoe de genoemde functionarissen er - ook nog in zo grote getale - toe kwamen literaire teksten te schrijven, "belles lettres" te beoefenen is niet duidelijk. Haarden van opkomend humanisme waren Padua en Arezzo, zoals latere humanisten zelf schrijven.

Gebied

Moderne onderzoekers duiden de 'ars' meestal aan als 'the art of letter-writing' en rangschikken haar óf onder de literatuur (de brief als literair genre) óf in het vakgebied 'theory of communication' óf behandelen haar als een tak van de (geschiedenis van de) retorica (op haar beurt dan vaak weer ingedeeld bij de 'theory of communication'). Dat kan tot grote misverstanden leiden aangezien de middeleeuwse 'dictatores' zich zeker niet hiertoe beperkten, maar een vrij universele tekstwetenschap op het oog hadden en beoefenden. Het merendeel van de praktizerende 'dictatores' bestond uit ambtenaren, notarissen, rechters, advocaten, kortom, juristen. Dat waren niet bepaald literaire auteurs, zeker niet in de moderne zin. Beperkt men zich tot de ons overgeleverde 'artes dictandi', dan kan men menen dat hun kunst werd afgeleid van de retorica. Deze was, naast een deel van het vak grammatica, de belangrijkste literaire theorie van de eeuwen waarin de 'ars dictaminis' haar rol speelde. Bestudeert men daarentegen concrete 'dictamina', dan valt onmiddellijk op niet alleen dat er stukken werden geschreven lang voordat er leerboekjes bestonden, maar ook dat men eeuwenlang het vak had geleerd op de manier van de imitatie, dus zonder theoretische ondergrond. Bovendien waren juristen, theologen en filosofen in het algemeen weinig geneigd tot retorica. Zij stonden er vaak zelfs heel vijandig tegenover. En tenslotte zijn veel dictamina zeker geen brieven, maar veeleer stukken die als notariële acten of ambtelijke danwel legislatieve stukken ('legal documents') moeten worden aangeduid.
Deze universaliteit van het vak maakt het moeilijk het duidelijk te definiëren en er ons een concrete voorstelling van te maken. Dat geldt echter ook voor het onderwerp waarmee de bovengenoemde Schrijfwijzer zich bezig houdt en is niet een direct gevolg van het feit dat wij hier te maken hebben met een middeleeuwse discipline. Meer aanschouwelijkheid verkrijgt men door wat nader op de inhoud in te gaan, de voornaamste soorten van vakbeoefenaren en soorten van voorbeelden te bestuderen, zoals ik ook gedaan heb ter omlijning van het gebied van de Schrijfwijzer. Uiteraard speelt daarbij wel de afstand tussen ons en de Middeleeuwen een belangrijke rol en wordt het probleem verschoven naar de voorstelling van beroepsbeoefenaren en soorten tekst die toen bestonden. Het beste lijkt mij om de 'ars dictaminis' te definiëren als een algemene leer voor het redigeren van teksten, waarbij niet in de eerste plaats wordt gedacht aan literaire. De "artes dictandi" zijn dan schrijfcursussen en zij die ze gevolgd hebben worden "schrijver".

Belang

De 'dictatores' hebben tijdens de Middeleeuwen een aantal uiterst belangrijke functies vervuld. Niet alleen waren zij de geletterde mensen, maar zij waren ook de dragers van de klassieke 'geletterde' beschaving. Men stelde het tot voor kort zo voor dat het tijdens de vroege Middeleeuwen, de tijd van de Merovingen en Karolingen, de kloosters waren die het klassieke gedachtengoed aan ons hebben doorgegeven. Doordat daarin zoveel oude latijnse teksten zijn gekopieerd, zijn ze bewaard gebleven. Natuurlijk is het werk van deze klooster-kopiïsten van onschatbare waarde, maar men mag niet over het hoofd zien dat deze periode van de geschiedenis ook een groot aantal eigen teksten heeft voortgebracht, zij het dat daarbij weer gebruik werd gemaakt van klassieke vormen en technieken. En verder zou het kunnen lijken alsof de door kloosters ge(re)produceerde teksten uitsluitend van 'geestelijke' aard waren. Nieuwere inzichten maken evenwel duidelijk dat wellicht het leeuwendeel van de teksten uit de hier bedoelde tijd juridisch (notarieel) van karakter was. Voorts wordt steeds duidelijker dat ook de lekenbevolking veel meer geletterd was dan werd aangenomen. De Merovingen en de Karolingen hielden er uitgebreide bureaucratieën op na waarin talloze geschreven teksten, uiteraard in hoofdzaak van juridische, ambtelijke en notariële aard, werden geproduceerd. En niet alleen de koningen hadden zulke administraties, maar ook allerlei lagere groten, zoals graven, hertogen en locale overheden. Zij beheerden er hun eigen goederen mee evenals het gezag dat zij in hun rechtsgebied uitoefenden. Belangrijke voorbeelden van (juridische) teksten die daarin gegenereerd werden waren de zg. leges barbarorum, de karolingische capitularia, een aantal modellenboeken voor juridische handelingen als het verlenen van lenen, de overdracht van goederen, het geven van privileges. En dan zijn er natuurlijk de talloze bewaard gebleven 'acten' waarin concrete rechtshandelingen werden vastgelegd. Van handleidingen voor het opstellen van dergelijke stukken is ons niets bekend, men werkte met nabootsing en eigen inventiviteit. De redacteuren van deze vroegmiddeleeuwse periode worden nog niet 'dictatores' genoemd, maar 'scribae', waartoe ook de kopiïsten behoorden, hun werk verschilde echter, voor zover het zich niet beperkte tot kopieëren, niet van dat van de functionarissen die men vanaf de 11e eeuw 'dictatores' noemde.
Nog een belangrijke functie van de 'dictatores' bestond hierin dat zij de voorlopers van de humanisten waren. Aldus geformuleerd heeft deze stelling, die afkomstig is van O. Kristeller, nog een ouderwetse bijklank. Definieert men het humanisme als het blijven hanteren van klassieke vormen en technieken van geletterdheid, dan is het gedurende de Middeleeuwen vrijwel ononderbroken aantoonbaar en zijn de Renaissance-humanisten er slechts een bijzondere vorm van. De meeste humanisten van de 15e en 16e eeuw waren trouwens ook rechter, kanselarij-ambtenaar, notaris, advocaat, secretaris of diplomaat van professie, net zoals de vroegmiddeleeuwse scribae en de 'dictatores' van de 11e tot de 15e eeuw. Is nog lang niet duidelijk hoe groot het lekenaandeel in de geletterdheid van de vroege Middeleeuwen was, vast staat dat dit vanaf het midden van de 11e eeuw zeer sterk toeneemt. Men zou de stelling van Kristeller zo moeten herformuleren dat het deze 'schrijvers' zijn geweest die de continuïteit tussen de klassieke Oudheid en de Moderne Tijd hebben gehandhaafd en dat hun werk humanistisch van aard was, in die zin dat zij de 'humaniora' zijn blijven beoefenen. Aan deze stam konden allerlei mooie bloemen ontspringen, bestaande uit geschriften op het gebied van de rechtsgeleerdheid, de theologie, de filosofie, de literatuur, de geschiedschrijving.
Dit is te meer het geval als men bedenkt dat de 'ars dictaminis' niet, als een hermetische discipline, op zich stond. Zij werd, in ieder geval tijdens haar bloeitijd, ingebed gedacht in de vakken van het trivium. (Triviale vorming had ook in de periode van de Merovingen en Karolingen bestaan.) Vanaf 1111 deden 'dictatores' pogingen om het vak te verzelfstandigen, maar het is hoogst waarschijnlijk dat het onderwijs over hun geschriften wel degelijk een algemenere triviale strekking had. Dat blijkt o.a. uit de talrijke kopieën van klassieke geschriften op het gebied van de grammatica, retorica en dialectica en uit de vele handschriften met glossen en commentaren daarop. Dat veel 'artes dictandi' er voor ons gevoel nogal magertjes uitzien, houdt waarschijnlijk verband met het feit dat men tijdens het onderwijs de meer algemene theorieën van de toepasselijke triviale vakken bestudeerde, zodat men zich in de dictaminale leerboekjes tot het voor dit specialisme nodige kon beperken. En wellicht waren deze boekjes alleen maar syllabi, geen uitgewerkte handboeken.
Niet alleen echter was de 'ars dictaminis' een exponent van de algemene geletterdheid, maar zij vormde ook een snijpunt tussen literatuur(theorie), rechtsgeleerdheid, bestuurlijke en politieke ideeën en humanisme.(18)

Onderzoek

Literatuur wordt sedert de Romantiek gedefinieerd als 'belles lettres'. De laatste decennia is er ook een tekstwetenschap ontstaan waarin niet alleen literaire teksten worden bestudeerd, maar alle mogelijke (soorten) teksten. Zij heeft haar voorlopers in de schrijvers en theoretici vanaf de Griekse en Romeinse Oudheid. Een van de meest interessante aspecten van een vanaf die tijd geconcipieerde geschiedenis van de tekstwetenschap zou m.i. de ongespecialiseerdheid van de schrijvers zijn. Wij kunnen ons daarvan bijna geen voorstelling meer maken, gewend als wij zijn aan het onderscheid tussen 'schrijvers', waaronder wij dan literaire schrijvers verstaan, en 'tekstschrijvers' of 'publicisten', zo'n beetje 'non-fictie-schrijvers', als ambtelijke schrijvers, notarissen, wetenschappelijke auteurs, journalisten, reclametekstschrijvers, enz. Nog tijdens de Renaissance was een schrijver vaak zowel het een als het ander. Hoe was dat mogelijk? Huizinga stelt zich een dergelijke vraag met betrekking tot de middeleeuwse auteur Alain van Lille in een opstel getiteld 'Über die Verknüpfung des Poetischen mit dem Theologischen bei Alanus de Insulis'. Zo kan men ook de vraag stellen naar de verbinding van het poëtische met het juridische, met het ambtelijke, het diplomatieke of het filosofische die bij de 'dictatores' algemeen was. Of van de verbinding van het theologische met het filosofische, van het juridische met het literaire, enz. Zo'n onderzoek kan licht werpen op ons specialisme en mogelijkheden tot despecialisatie (of beter begrip van het specialisme) opleveren.(19)
Sommige (de goede?) onderzoekers hebben helemaal niet zo'n motivering voor hun onderzoek nodig. Zij zijn 'gewoon' geïnteresseerd in hun gebied. Voor hen ligt hier een enorm terrein waarop in Nederland nog weinig wordt gedaan.

Amsterdam, april 1998.

Literatuuropgave:

De stelling dat de humanisten (van de Renaissance) de nazaten zijn van de middeleeuwse 'dictatores' is te vinden in P.O. Kristeller, Renaissance Thought. The Classic, Scholastic and Humanist Strains (1955, 1961). Over de activiteiten van 'scribae' tijdens de vroege Middeleeuwen bevat R. McKitterick, The Carolingians and the Written Word(1989) veel informatie. De 'ars dictaminis' wordt behandeld in het standaardwerk J.J. Murphy, Rhetoric in the Middle Ages. A History of Rhetorical Theory from St. Augustine to the Renaissance (1974) en in M. Camargo, Ars Dictaminis Ars Dictandi (1991). De samenhang tussen de 'ars dictaminis' en de algemene retorica tijdens de late Middeleeuwen wordt belicht door J.O. Ward, Ciceronian Rhetoric in Treatise, Scholion and Commentary (1995). De datering van de opkomst van het humanisme in de tijd van Dante en de werkzaamheid daarbij van juristen is aan de orde gesteld in R. Weiss, The Dawn of Humanism in Italy. An Inaugural Lecture (1947).
Over het thema 'recht en literatuur' kan men o.a. veel materiaal vinden in J.B. White, The Legal Imagination(1973, abridged edition 1985) en Richard O. Posner, Law and Literature. A Misunderstood Relation (1988). Wat juristen q.q. aan literatuur zouden kunnen hebben analyseert M.C. Nussbaum, Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life (1995).

Noten:

1. Over de "ars dictaminis" ook Southern, R.W., Scholastic Humanism and the Unification of Europe, 1995, pg. 315, n.43, en pg. 271-3. Southern betoogt daar dat er in Bologna rond 1125 nog geen indrukwekkende kennis van het recht bestond. Hij demonstreert dit aan de hand van een brief van de bisschop aan de paus en diens antwoord daarop. De beide brieven zijn volgens pg. 271, n. 6, te vinden "in the collection of letters in the work of Adalbertus Samaritanus" en volgens pg. 272, n. 8, "in the collection of letters attached to the Rationes dictandi prosaice of Hugh of Bologna". Hoogst curieus! Afgezien hiervan geeft Southern enkele aardige karakteristieken van de "ars dictaminis". Pg. 272: "Books on letter-writing" ... "in the twelfth century were vehicles for imparting kowledge essential for every kind of legal, administrative and personal business". Pg. 273: "The range of learning which they sought to promote may be judged from the very wide range of authors quoted in their texts, who included Cicero, Horace, Juvenal, Priscian, and Amrose, Augustine, Jerome. So they were introductions to doctrine and authors of many different kinds."

2. Wieacker spreekt van een "juristischer Kurialstil (stilus curiae, ars dictaminis)". Hij doet het dus voorkomen alsof de "ars dictaminis" een hulpvak voor de rechtsgeleerdheid was. Hij steunt daarbij op Hugo Friedrich, Epochen der italienischen Lyrik, 1964, en op Erich Genzmer, Die justinianische Kodifikation und die Glossatoren, 1934. Friedrich schreef: "Die Jurisprudenz öffnete in Italien seit dem 11. Jh. dem angehenden Juristen auch den Zugang zu literarischen Kenntnissen. Urkunden und Briefe werden nach einem feststehenden Schema angelegt, das aus dem Schema der Gerichtsrede stammte; sie standen dem literarischen Kunstwerk nahe." Was het niet veeleer omgekeerd zo dat het "Schema der Gerichtsrede" tot de retorica behoorde en dat deze het rechtsdenken beheerste? Genzmer bagatelliseert de invloed van de retorica. "Im Trivium, bei der Rhetorik, lernte der Schüler aus Cassiodor, Boethius und anderen, daß Schriften und Vorträge mit einem Prooemiumzu beginnen haben, das in dreierlei Hinsicht auf den Leser oder Hörer einwirken, nämlich ihn benevolum, docilem, attentummachen soll. Nach diesem Rezept sind denn auch die Summen z.B. des Placentius und Azo mit schulgerechten Prooemiaversehen worden," schrijft hij.

3. Gerbenzon/Algra, Voortgangh des rechtes, 1969, pg. 54: "De kennis van het Romeinse recht gaat zich allengs (sc. in de eeuwen vóór de 11e - T.L.) beperken tot de kundigheid, oorkonden aan de hand van formulieren op te stellen. Uit die 'kunst om stukken op te stellen' (ars dictaminis)ontwikkelt zich in latere tijd weer de rechtswetenschap." Waarschijnlijk baseren zich de auteurs van "Voortgangh des rechtes" op Rashdall, The Universities of Europe in the Middle Ages.

4. P.O. Kristeller, The Humanist Movement, in: Renaissance Thought. The Classic, Scholastic and Humanist Strains, Torchbook 1955, 1961, pg. 12: "It has become clear as a result of recent investigation that the humanists of the Renaissance were the professional successors of the medieval Italian dictatores, and inherited from them the vvarious patterns of epistolography and public oratory, all more or less determined by the customs and practical needs of later medieval society."

5. H.Waddell, The Wandering Scolars, pg. 148. Zie ook: Hill, Sidney R., Jr., "Dictamen": That Bastard of Literature and Law, in: The Central States Speech Journal, 24 (1973), pg. 118/9.

6. Vickers, B. en Murphy, J.J.

7. Anders gezegd: dat zij subgenre was van verschillende genres.

8. Q. Skinner, The Foundations of Modern Political Thought, I en II, Cambridge 1978.

9. Zie o.a. Posner, enz.

10. Of een "dictatum"?

11. In de "Soliloquia" van Augustinus wordt gesproken van "dictare" en van "scribere". Voor het laatste moest men gezond ("valens") zijn; de stof die Augustinus op papier wilde brengen, was van dien aard dat "dictare" niet paste ("nec ista dictare debent". "Ergo scribendum est.")

12. Zo duidt men haar tegenwoordig meestal aan, maar ik zou liever de term "omgangstechniek" gebruiken.

13. Voor discussies had men in de Oudheid ook de dialectica. Zij verschilde van de retorica hierin dat de dialecticus aan zijn tegenstander vragen over zijn standpunt stelde en in zijn betoog tegen hem van de als antwoorden weergegeven standpunten uitging. De retoricus daarentegen stelde geen vragen, maar richtte zich naar zijn eigen inzicht in zijn tegenstander. Meestal ging het in het eerste geval om een of twee tegenstanders, aan wie vragen gesteld konden worden (zoals in de dialogen van Plato); in het geval van de retorica echter om grotere groepen, zoals een volksvertegenwoordiging, waaran het moeilijk vragen naar haar standpunten was.

14. Misschien beter: voor het ontwerpen en houden van redevoeringen of uit te spreken teksten.

15. De "dictator" was iemand die "dicteerde", maar misschien moet men dit niet al te letterlijk nemen. Het dicteren was voor een ongeletterde heer vaak nodig omdat hij zelf niet kon schrijven. Wat de schrijver ("scriba") van het gedicteerde maakte, was meestal geen letterlijke weergave, maar een in vorm gebrachte. Hij "formuleerde" voor zijn heer wat die wilde zeggen. Voor de scriba was er dus vrijwel altijd een ruimte waarin hij aan de gedachten van de heer vorm gaf. Misschien waren de "artes dictandi" wel bedoeld voor deze helemaal niet of onvoldoende geletterde mensen. "Artes scribendi" waren het in ieder geval niet. Deze zouden onderwerpen hebben behandeld als het toebereiden van perkament, het maken van inkt, het snijden van pennen, het tekenen van letters, de beste conditie of de juiste houding om in te schrijven.

16. Zie Waddell, die de "ars dictaminis" juist hierom een bastaard noemt.

17. Men verklaart de opkomst van de "ars dictaminis" veelal door de opkomst van de hoven en steden in wier kanselarijen men veel geletterd personeel nodig had.

18. P.M. De stelling van Witt dat het ontstaan van het humanisme - dat hij ook dateert rond 1270, nl. in het werk van de rechter/dichter Lovato Lovati uit Padua en in de brieven van de kanselier van Florence Brunetto Latini - niet is te danken aan de beoefening van de "ars dictaminis", maar aan die van de grammatica.

19. Persoonlijk denk ik graag aan de 'juridische roman' waarvoor de schrijver bij voorkeur jurist en schrijver moet zijn. Of aan het profijt dat de jurist bij zijn werk zou kunnen trekken van de (roman)literatuur. Waarom zou er naast de - altijd weer - psychologische roman geen plaats zijn voor de economische roman, de sociale roman, de politieke roman, enz. Veel schrijvers beperken zich tot psychologische verhalen omdat zij alleen hun eigen ziel (menen te) kennen. In het verleden, vóór de Romantiek, waren schrijvers niet zo bang voor wetenschappelijke vorming en wetenschappers niet zo angstig voor de literatuur.