|
AURORA
"Denk eraan! Ga niet de stad in!" Aurora stond in de
gang voor de spiegel. Zij luisterde maar half naar haar moeder. "...en als
je in Amsterdam aankomt, neem je onmiddellijk buiten het station lijn
2!" Aurora's aandacht was helemaal gericht op haar eigen beeld in het
reflecterende glas. Zou zij haar spijkerbroek over haar laarzen dragen, of
erin...? "... het ziekenhuis ligt aan de eindhalte," preekte haar moeder
door. "En als je klaar bent..." Aurora zette de rode muts op die zij van
haar grootmoeder had gekregen, en dacht even na. Zou zij haar jack dichtritsen
of zag zij er beter uit als het los hing? Zij draaide een kwartslag om over
haar schouder te kijken. De diep ingesnoerde riem gaf haar lichaam de goede
vorm, geen buik. "Waarom moet je dat lelijke ding nu weer
opzetten...?" Aurora keek zichzelf nog een ogenblik aan, zonder te lachen,
zoals altijd als zij in de spiegel keek. Haar gitzwarte krullen sprongen onder
de fel rode muts vandaan. Haar gezichtje was matbleek, haar ogen donkerbruin,
bijna zwart. Zij hield zelf niet van haar neus, maar Iris, haar beste
vriendin, zei altijd dat zij deed denken aan het snoetje van een hert en dat
alle jongens daar juist op vielen. En Iris had al verkering met een jongen van
de MTS in Roermond. "Hier is de tas," zei haar moeder. "En draag ze een
beetje rechtop, want anders breng je alleen maar kruimels naar je grootmoeder.
En vergeet niet dat je niets van haar mag aannemen. Het arme mens. Hoor je
mij, Aurora? En wees voorzichtig met die fles cognac die ik erbij heb
gestopt." De grootmoeder van Aurora had kanker en lag in het Anthonie van
Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam. Haar dochter had een cake voor haar
gebakken en Aurora zou die brengen. De cake was heel bijzonder, gebakken
volgens een recept dat de moeder van Aurora zelf ook van haar moeder had
gekregen. Zo iets kon je in Amsterdam niet krijgen. En in het ziekenhuis zou
ook wel geen cognac te bemachtigen zijn, terwijl grootmoeder thuis voor het
naar bed gaan altijd een nipje nam. "Ja, mam," antwoordde Aurora
goedgemutst en gespeeld gedwee. "Ik zal heel voorzichtig zijn." Zij was
helemaal gewend aan de knorrigheid van haar moeder en trok er zich niets van
aan. Zij vond het ontzettend fijn dat zij deze missie mocht uitvoeren, want
zij ging graag op reis. Aurora was zestien en nog nooit in Amsterdam geweest.
De treinreis uit de provincie zou een kleine twee uur duren en dan zou zij
Amsterdam zien. En oma natuurlijk, maar zij kon niet ontkennen dat zij meer
opgewonden was van het vooruitzicht dat zij kennis zou maken met die beroemde
en angstaanjagende stad. Toen eenmaal besloten was dat zij haar grootmoeder
zou opzoeken, had zij geen oog meer dicht kunnen doen en twee nachten niet
geslapen. Haar moeder frummelde nog wat aan haar kraag die niet goed zat,
probeerde haar jack dicht te ritsen, wat Aurora verhinderde, en liet haar
uit. "Denk aan wat ik je gezegd heb," riep zij nog toen haar dochter al een
eind de straat in gelopen was. Zij sloot de deur pas, zorgelijk zuchtend, toen
zij om de hoek van de straat verdwenen was. De bus naar het station was
precies op tijd en praktisch leeg. Zij moest nog een ander dorp door om in de
stad te komen waar het station was en de rit duurde bijna een half uur. Aurora
nestelde zich gemakkelijk achterin, waar zij altijd zat als zij naar de HAVO
aan de rand van de stad ging. In het volgende dorp stapte altijd een
klasgenote van haar in en samen legden zij de rest van de tocht af. Vandaag
was zij er natuurlijk niet en Aurora miste haar even maar gnuifde toch bij de
gedachte aan haar benijdenswaardige reis. Iris was ook nog nooit in Amsterdam
geweest. "Jo," had zij geroepen, toen zij hoorde dat Aurora daarheen ging, "mijn
moeder zou er niet aan dénken mij alleen naar Amsterdam te laten gaan. Die
is zo bang dat ik verkeerde dingen doe." "Verkeerde dingen?" had Aurora
gedacht. "Wat voor verkeerde dingen?" Zij had de volwassen mensen in haar
omgeving vaak genoeg over Amsterdam horen praten naar aanleiding van het
nieuws op de televisie. En zij had zelf ook gekeken naar de beelden van
relletjes met veel rook en vuur, van drugsverslaafden, van punks, van mensen
die met onbeschaamd harde stemmen en een vulgair accent overal openlijk
commentaar op gaven, van drukke winkelstraten met veel lichtreclames en vooral
van de Dam waar enorme aantallen jongelui rondhingen en zich amuseerden. Er
was iets gevaarlijks aan die stad, dat voelde Aurora wel, maar ook iets heel
spannends. Morgen zou zij aan Iris verslag kunnen doen van haar kennismaking
met die wereld die toch zeker wel een heel stuk echter was dan het dorpse
gedoe van haar dagelijkse leven. De treinreis, die zonder evenementen
verliep, duurde veel korter dan Aurora gedacht had. Zij stond op het perron in
Amsterdam voordat zij zich van haar dromen had kunnen losmaken. Het lawaai
overviel haar. Zij liep met de stroom passagiers uit haar eigen trein mee naar
de uitgang en stond plotseling van aangezicht tot aangezicht met de stad. Het
was net twaalf uur. De zon scheen. Haar moeder had haar niet gezegd wat zij
zou aantreffen, alleen dat er een plein was en dat zij "ergens rechts" de
trams zou zien staan. Zij had niets gezegd over slordig geklede
bloemenverkopers en over het grote aantal mensen dat het station uitkwam of
erin verdween of alleen maar ter plekke ronddrentelde. Er stonden groepjes
mensen met elkaar te praten. Er zat een jongen met een geluidsversterkt
drumstel oorverdovende ritmes te beuken. Rechts stonden inderdaad trams, maar
links stonden bussen. Had haar moeder die niet bedoeld? En dan die gebouwen
aan de overkant, die stad die zich op haar stortte en haar verpulverde. Aurora
voelde hoe zij telkens opzij ging voor mensen die recht op haar af kwamen. Zij
zocht een rustig plekje, om even de nieuwe indrukken te verwerken, maar vond
er geen. Als vanzelf bewoog zij zich in de richting van de trams. Vier of
vijf pikzwarte jongelui stonden sigaretten of shag en geld uit te wisselen.
Zij stonden met opgetrokken schouders en trekkende benen in een groepje
bijeen, alsof zij alle contact met de aarde wilden vermijden. Op het ogenblik
dat Aurora hen passeerde zetten ook zij zich in beweging en liepen in dezelfde
richting als zij. Ook zij stapten in lijn 2, maar niet, zoals Aurora die een
kaartje kocht bij de bestuurder, voorin. Zij namen nonchalant plaats en legden
hun voeten op de stoelen tegenover hen. Aurora bleef nieuwsgierig maar
onopvallend in de buurt. Hier had je het nu, het gevaar. Haar moeder had hier
niets over gezegd, maar zij had het vermoeden dat het zo iets als dit moest
zijn. Aurora vond een van de jongens wel leuk. Hij was tamelijk rustig,
luisterde naar wat een andere jongen zei die voortdurend het hoogste woord
voerde en veel indruk maakte. Hij was ook heel mooi, had melancholische ogen
met wimpers die aan iets zoets deden denken. Zijn haar was kort geknipt en hij
had heel lieve oren, terwijl ook de lijn van zijn nek haar aandoenlijk
voorkwam. Zij keek met glimpen naar hem, oppassend dat zij niet betrapt werd.
Voor het overige keek zij naar buiten, naar het stadsleven dat zij nog nooit
gezien had, en gaf zij zich over aan de splinternieuwe sensatie van het rijden
in een tram. Zij luisterde naar het gesprek van de jongens dat gevoerd werd in
Nederlands met wat Aurora had leren kennen als een Surinaams accent. Het ging
over het Leidseplein en over een bulldog. Wat die hond ermee te maken had
begreep Aurora niet, maar wel dat er op het Leidseplein van alles te beleven
moest zijn, dat daar mensen met genoeg geld rondliepen en dat zij daar ook wel
iets van konden krijgen. Plotseling merkte zij dat de jongen met de
melancholische ogen haar fixeerde. Zij keek een ogenblik terug, zoals zij ook
deed als in de bus naar school jongens naar haar keken, die dan onmiddellijk
met een rode kop voor zich keken. De Surinaamse jongen keek niet voor zich en
kreeg ook geen rood hoofd. Hij trok integendeel een heel guitig gezicht tegen
haar waar zij onwillekeurig om moest lachen. "Leidseplein?" vroeg
hij. Aurora schrok zich dood, maar zij was niet echt bang, alleen
overrompeld. "Ga je mee naar de bulldog?" ging de jongen zonder afwachten
verder. Wat een vreemde vraag. Waarom zou zij naar een bulldog gaan? Zij
ging wat verzitten, de tas met de spullen voor haar oma vaster tegen zich aan
drukkend. "Ga niet de stad in," had haar moeder gezegd. Zou zij de stad ingaan
als zij naar de bulldog ging? "Wat moet ik daar doen?" vroeg zij
onbevangen. "Well, let's say dance, baby," zei de jongen zijn heupen
bewegend en een gezicht trekkend alsof hij aan haar moest laten zien hoe hij
zich vermaakte. Aurora keek naar buiten. Zij begreep er niets van. Laat
maar zitten, dacht zij, die jongen is gek. Hij had waarschijnlijk een stukje
uit een song geciteerd die zij niet kende. De jongen bekeek haar een
ogenblik opmerkzamer. "Waar kom jij vandaan?" vroeg hij met een
"Surinaamse" nadruk op "waar". "En jij?" antwoordde Aurora gevat. "Ik
kom van Aruba, baby." Zij voelde zich weer afgetroefd al wist zij niet
hoezo. De jongen vond haar aardig, dat was duidelijk. En zij mocht hem ook
wel, hoewel zij zijn overwicht schuwde. Maar Aurora was wel wat gewend van de
jongens van de stad waar zij schoolging en die zij in het algemeen goed
aankon. De jongen kwam echter plotseling naast haar zitten, wat haar weer van
haar stuk bracht. "Waar ga je naar toe?" Zij vertelde dat zij naar het
ziekenhuis ging, daar en daar, naar haar grootmoeder die ernstig ziek was, een
door haar moeder zelfgebakken cake brengen en dat zij uit de provincie kwam,
uit het plaatsje zo en zo dat hij toch wel niet zou kennen. "Hé, te gaaf. Ik mag jou wel.
Ik heb ook een grootmoeder, back there, you know, op de Antillen, weet je wel.
Ze is heel lief, weet je wel, zo'n oud mens, zo helemaal krom..." De melancholische ogen droomden weg. Aurora schrok even van dat woord "lief"
dat zij zelf nooit zou gebruiken, ook niet voor haar grootmoeder, die zij wel
lief vónd. Zij had er
waardering voor dat iemand zich zo uitsprak en was nu nog meer ingenomen met
de jongen. Op het Leidseplein stapte de groep uit, maar de jongen, die zichzelf had
voorgesteld als Marvin, bleef zitten. Hij riep voortdurend dat hij haar mocht,
wees haar op "The Bulldog", zodat zij eindelijk begreep waar hij over had
gesproken, legde haar onderweg allerlei dingen uit over het gratis gebruik van
de tram, over het bemachtigen en behouden van een uitkering, over bijverdienen
met dealen. Aurora was diep onder de indruk, trots dat zij met de echte stad te
maken had en niet bang was. Zij beschouwde deze Marvin als een gids, aan de hand
waarvan zij veilig ingeleid werd in Amsterdam. Zij stapte onderweg niet uit,
zoals haar moeder haar opgedragen had, maar kreeg gratis een heel boeket van de
mooiste stijlbloemetjes in het jargon van zo'n doorgewinterde jongen. Zó ging dat dus in de grote stad! "Ik krijg
altijd een cadeau van mijn oma," vertelde Aurora. "Ze zal nu wel geld geven,
want ze kan natuurlijk niet de straat op om iets te kopen. Ze zal wel een
briefje van honderd geven. Ze heeft geld genoeg. Ze is niet rijk, hoor, maar
ze heeft altijd wel wat om weg te geven." Marvin knikte nadenkend. "Mijn
grootmoeder is heel rijk," verklaarde hij. "Mijn familie heeft op Aruba nog
plantages gehad. Die zijn allemaal verkocht, maar ze hebben nu hotels. En
alles is van mijn grootmoeder." De tram bereikte de eindhalte. Marvin was
zeer behulpzaam. Hij begeleidde haar naar de hoofdingang van het ziekenhuis en
stond naast haar toen zij aan de balie inlichtingen vroeg. Samen liepen zij
naar de lift. "Ik wil wel met je oma kennismaken," zei hij. "So nice! Misschien lijkt ze
wel op mijn grootmoeder. Jij vindt dat gek, hé? Maar dat is niet zo, I love old people, you
know. Ik blijf maar heel even. Dan kan jij op je gemak met je oma praten. En dan
wacht ik hier beneden in de cantine tot je terugkomt. Oké?" Dat plan sprak Aurora wel aan. Het stelde
haar gerust dat Marvin met haar grootmoeder wilde kennismaken en ze was
tegelijkertijd blij dat hij de fijngevoeligheid had om zich op een gepast
ogenblik terug te trekken. En het vooruitzicht van verder contact met hem na
het bezoek lokte haar ook wel. Misschien konden zij op de terugweg naar het
station even bij "The Bulldog" kijken. Toen zij uit de lift stapten botsten zij tegen een grote man op die gehaast,
zonder te wachten tot zij eruit waren, naar binnen wilde. Hij had zeker lang op
de lift moeten wachten. Aurora stond even stil en bekeek de man met een blik vol
dédain: "Zég...". Maar Marvin liep al de hal in zonder zich
iets van het incident aan te trekken. Vlak voordat de deur van de lift dichtging
zag Aurora de man nog net een beweging maken alsof hij nog iets tegen haar wilde
roepen of haar wilde grijpen. Daar schrok zij wel van. Zó kwaad hoefde de man toch
niet te zijn, vond zij, temeer daar hij zelf in het ongelijk
was. "Agressie." dacht zij, "Dat is nu de agressie in Amsterdam waar je zo
vaak over hoort. Beleefd zijn ze hier zeker niet. En het interesseert ze niet
of ze gelijk hebben." De man had zich wel mogen verontschuldigen, vond zij
eigenlijk. Ze moesten nog een lange gang door, waar Marvin zonder aarzelen
naar toe stapte. Toen zij bij de kamer met het opgegeven nummer aankwamen was
haar verontwaardiging gezakt en lachte zij alweer bij het vooruitzicht haar
oma te zien. Haar grootmoeder deelde de kamer met een andere patiënte die het dichtste bij de
deur lag. De twee bedden waren door een gordijn gescheiden, dat dichtgetrokken
was. Aurora gluurde om de hoek en stak een hand op om te wuiven als een
revuester die aan de rand van het toneel het publiek toezwaait, alleen het
hoofd, een schouder en een arm zichtbaar. Grootmoeder begroette haar heel
innig. Natuurlijk had ze wel geweten dat Aurora kwam, want de moeder van
Aurora belde regelmatig met haar. Toch deed ze heel opgetogen over haar bezoek
en knuffelde het jonge meisje alsof haar bezoek een volstrekt onverwachte
verrassing was. Toen de ontvangstceremonie achter de rug was, leunde zij
achterover en keek haar kleindochter aan. Aurora stelde Marvin voor. "Is
dat je vriend?" vroeg oma, maar Aurora wist niet goed wat ze daarop moest
antwoorden. "Is hij helemaal met de trein meegekomen? Ik wist niet eens dat je
een vriend hebt. Vind je moeder dat goed?" De doos met de cake stond open
op het bed. De fles cognac was al opgeborgen in het nachtkastje. Grootmoeder
was heel vergenoegd. Zij vroeg een paar dingen over de reis, hoe laat Aurora
vertrokken was of ze in de trein hadden kunnen zitten, of ze het ziekenhuis
gemakkelijk had kunnen vinden, of ze goed naar haar moeder geluisterd had.
Telkens dwaalde haar blik even over Marvin die zich echter niet in het gesprek
mengde, maar glimlachend en eerbiedig luisterde. "Zo, en nu wil je zeker
wel een cadeau? Nee, ik bedoel niet een stuk cake. Ik zal eens kijken wat ik
heb." Aurora wisselde een blik van verstandhouding met Marvin die vol
begrip knikte. Grootmoeder tastte onder haar hoofdkussen en kwam te voorschijn
met een langwerpige beurs. Zij opende haar. Er zat een hoop geld in. Zij zocht
een ogenblik tussen de papiertjes en koos toen, net zoals Aurora voorspeld
had, een briefje van honderd. "Kijk eens," zei ze, "dit is voor jou, voor
de moeite om een oude vrouw op te zoeken." Zij reikte het briefje met haar
rechterhand over, de beurs nog open in de linker, haar blik liefdevol op haar
kleindochter gericht die het briefje van honderd aanpakte. Toen Marvin de
beurs en het honderdje uit hun handen rukte, schrokken zij beiden enorm. Hij
stommelde over een stoel die naast het bed stond, liep die omver, maar
verdween bliksemsnel om de hoek van het gordijn. Met twee drie sprongen was
hij bij de deur die hij openrukte. Op de drempel botste hij tegen iemand op
die hij opzij duwde. Grootmoeder gilde: "Mijn geld." Aurora gilde van schrik
en holde achter Marvin aan. Zij zag nog net een man op de gang verdwijnen
achter wie de deur dichtviel. Toen zij ook op de gang kwam, had de man Marvin
net te pakken. Hij drukte hem met achter zijn rug gewrongen arm tegen de muur
en nam hem de beurs af. Tegen een verpleegster riep hij dat zij de politie
moest bellen. "Is dit geld van jou?" vroeg hij Aurora, Marvin met zijn
gezicht hard tegen de muur duwend zodat zijn neus helemaal plat zat en zijn
ogen uitpuilden. Het was de man die zij in de lift hadden ontmoet. "Van
mijn oma," zei zij en zag dat Marvin het briefje van honderd nog in zijn hand
had. Dat had de man kennelijk niet gezien. "Ligt die op die kamer? Laten we
maar even teruggaan." Zij gingen de kamer binnen, waar de vrouw in het
eerste bed zich oprichtte om te zien wat er gebeurde. "Dat was ook toevallig," zei de man tegen die patiënte. "Ik kom mijn vrouw hier opzoeken en moet
meteen weer werken. Ik ben van de politie. Deze knaap zoek ik al een hele
tijd. Een vervelend mannetje, hoor. Hij heeft zeker weer geleuterd over zijn
grootmoeder op Aruba? Geloof er maar niets van. Hij heeft helemaal geen
grootmoeder. Wij zullen hem aanstonds eens eventjes netjes opbergen, zodat hij
voorlopig geen kwaad meer kan. Maak je maar geen zorgen, die kom je niet meer
tegen in de stad." "Ik kom niet meer in de stad," dacht Aurora. "Voorlopig
heb ik hier wel genoeg van. Ik schrok me lam. Wat een rotzak. En ik was zo
stom om in zijn mooie smoesjes te trappen." De politieman onderhield zich verder met grootmoeder, van tijd tot tijd in
een moeilijke houding om het gordijn heen ook het woord richtend tot de andere
patiënte. Marvin zat bij het
raam op een stoel, de hand van de rechercheur in zijn kraag. Zijn rechterhand
lag dichtgeknepen op zijn bovenbeen. Zijn melancholische ogen staarden naar
buiten, vanaf de tiende verdieping over het vlakke Hollandse land dat in de
verte oploste in de mist. Aurora keek naar zijn oren die zij zo leuk had
gevonden en naar zijn diep uitgeschoren aandoenlijke nek. "Ik laat hem het
briefje van honderd houden," dacht zij plotseling zonder enige aanleiding. Het
leek haar een goede gedachte hoewel zij haar niet begreep. Toen Marvin door
twee politiemannen in uniform werd opgehaald, keek hij haar een ogenblik aan.
Langzaam stopte hij zijn hand in zijn broekzak. Aurora keek hem ook aan. Zij
zeiden geen woord. Hun blikken kruisten elkaar dwars door het praten van de
volwassenen heen, maar zij lieten niets blijken van wat er in hun omging en
geen van beiden had daar ook enig idee van. Achteloos deden de politiemannen
Marvin de handboeien om, alsof hij een object was, een kapstok waar men een
kledingstuk aan ophangt. Zij spraken met elkaar over de zieke vrouw van de
rechercheur, over mensen ver uit de provincie die hier naartoe kwamen omdat
dit zo'n speciaal ziekenhuis was, over de verschillen in gewoonten tussen de
provincie en Amsterdam. Ja, er liepen meer lieverdjes in de stad rond dan er
op het Spui stonden, zeiden de mannen vriendelijk tegen oma die er niets van
begreep. Pas nu werd haar duidelijk dat Marvin niet met Aurora mee in de trein
was gekomen, maar dat zij hem in Amsterdam had ontmoet. "Kind, hoe heb je
zo onvoorzichtig kunnen zijn," zuchtte zij. "En je moeder heeft je nog zo
gewaarschuwd." Aurora vond het een ogenblik vervelend dat zij over haar
ontmoeting moest vertellen en de halve beschuldiging dat zij haar grootmoeder
om de tuin had geleid ontzenuwen. "Je hebt niet naar me geluisterd, oma,"
zei ze goedig. "Ik heb niet gezegd dat hij met mij mee is gekomen..." "We
zullen het kind er maar buiten laten," zei de rechercheur tenslotte. "Wij
hebben aan uw getuigenis genoeg." Aurora vond het best. Zij vond het
helemaal niet prettig dat er zo over haar heen gepraat werd en dat iedereen
maar net deed alsof zij en Marvin niet meetelden. Ze had gezien hoe deze het
briefje van honderd dat niemand bij hem ontdekt had, in zijn broeksband had
gestoken vlak voordat de geuniformeerde agenten zijn handen op zijn rug bogen
en hem de handboeien aandeden. Zij lachte inwendig. Moesten zij maar beter uit
hun doppen kijken en niet zo nonchalant tegen elkaar snateren... Marvin zag
dat Aurora zijn beweging had gevolgd. Toen hij door de agenten werd weggevoerd
trok hij een pruillip tegen haar, maar Aurora zag duidelijk dat dit slechts
een schetsje was dat de deugniet voor haar opvoerde. Zijn ogen lachten. Toen
viel de deur achter hem dicht. Ze bleven met zijn drieën nog even
opgelucht zitten. Het tumult was voorbij. Ook de andere patiënte werd bij het gesprek betrokken, het gordijn
werd opzij geschoven. Het bleek dat grootmoeder en zij tot nog toe nog geen
woord met elkaar hadden gewisseld. Het was een Amsterdamse mevrouw die alles
afwist van de misstanden in de stad en de grootmoeder van Aurora nu begon uiteen
te zetten hoe erg het wel niet was met al die buitenlanders. Aurora luisterde er
niet naar. Zij had er weinig fiducie in dat de mevrouw er ook maar iets van
begreep. Grootmoeder zelf was ook vrij snel afgeleid. Zij verdeelde wat van de
cake en nam een heel klein slokje van de cognac: "Voordat het mij soms wordt
afgepakt door de zuster." De rechercheur drukte er zijn plezier over uit dat hij
zo'n mooie vangst had gedaan, bedankte Aurora die niet begreep wat zij
gepresteerd had, en vertrok. Aurora dacht bij zichzelf: "Mijn moeder weet er
helemaal niets van. Zij had mij wel wat beter kunnen vertellen hoe het hier
toegaat. Ik zal háár eens wat
vertellen als ik thuiskom."
Ton
Lenssen,Amsterdam 1995
|