|
Jurisfictie?
"Iedereen" heeft het er plotseling
over dat juristen en in het bijzonder rechters meer romans moeten lezen.
In 1991 stelde A.C. 't Hart, in "Recht als schild van Perseus", "het
narratieve, verhalende, literaire weten van de roman" tegenóver, immers
als "tegenhanger van het juridisch-dogmatische". Daarbij sprak hij een
duidelijke voorkeur voor dat narratieve uit. "...de vormen van kennen en
weten op de gebieden van het narratieve weten, de poëzie en de beeldende
kunst," aldus 't Hart, "... bieden meer ruimte voor meerduidigheid omdat
zij geen dogmatisch kennen en weten zijn". Weinig juristen zullen dit boek
toen hebben opgemerkt. In de eerste helft van dit jaar echter lijkt het
denken dat zich met deze problematiek bezig houdt, in een
stroomversnelling geraakt. Een tekenende gebeurtenis is de verschijning
van "Karakters. Tijdschrift over Literatuur en Recht". Sindsdien hebben
Schoordijk en de tot de redactieraad van "Karakters" behorende Nieuwenhuis
er zich in "Themis", resp. dit blad voor uitgesproken dat rechters - in
het bijzonder feitenrechters? - meer romans moeten lezen. Mogelijk koren
op de molen van de nieuwe Asser-Vranken die een groter inzicht van de
feitenrechter in de feiten bepleit, hoewel Vranken niet zo ver gaat (en
waarschijnlijk ook niet zo ver wil komen) hem daarbij met romans
behulpzaam te willen zijn. Nieuwenhuis stelde voor een concilie bijeen te
roepen om een canon van juridische romanliteratuur op te stellen. De
mensen die deze harte-kreten slaken - zoals ook in 1991 Leyten in "We need
stories" - gaan dus niet uit van een tegenstelling, maar maken van de
romanliteratuur een soort propedeuse voor het rechtsdenken. Het eerste
nummer van "Karakters" brengt voor mijn gevoel niet veel materiaal dat
specifiek tot het onderhavige gebied van onderzoek behoort (behalve
uiteraard de originele en geestige "Sonnets de règlement" van Hartkamp).
Het brengt jammer genoeg zelfs geen andere naam voor het terrein dan die
van "recht en literatuur", welke slechts een vertaling van het Amerikaanse
"law and literature" is. Ik geef toe, het is niet gemakkelijk een goede
naam te verzinnen. Ik ben er zelf vanaf 1975, toen
"Letterkundig-Staatsrechtelijke Berichten" werd opgericht en ik mij nog
bediende van termen als "rechtskunst" en "de literair-juridische methode",
mee in de weer geweest. In 1979 heb ik nog eens een tekst aan het NJB
aangeboden onder de noemer "juridische science-fiction" (waarvan men nog
nooit had gehoord). Deze term leidde mij verder naar het door mij bij een
lezing in 1992 gelanceerde "jurisfictie" (waarop ik uiteraard het
auteursrecht claim). De laatste tijd spreek ik bij voorkeur van "literaire
rechtsgeleerdheid" als ik het heb over juridisch "redeneren" met
gebruikmaking van literaire middelen, en van "jurisfictie" als het gaat
over recht-in-literatuur. Richard Weisberg heeft "Poethics" gelanceerd.
Vorig jaar verscheen er een boek van de Amerikaanse filosofe Martha
Nussbaum met een leuke term als titel: "Poetic Justice". Ik ben geneigd
dit te vertalen met "dichterlijke rechtspraak". Het meest correct zou
misschien - naar analogie van o.a. "rechtssociologie" - "rechtsliteratuur"
zijn maar die term is al in gebruik voor iets anders. Kortom, ik ben er
ook niet uit. "Poetic Justice" was het verslag van een cursus "Law and
Literature" door Nussbaum aan de University of Chicago gegeven waar ook
James Boyd White en Richard Posner hebben gedoceerd. Nussbaum had aan de
hand van "Hard Times" van Dickens aan studenten duidelijk proberen te
maken wat het tekstgenre van de roman in het bijzonder oplevert en was tot
m.i. interessante resultaten gekomen: ik was er bijna van overtuigd dat
rechters inderdaad meer romans moeten lezen. (Ik begon zelfs al te denken
aan de volgende stap: hoe te voorkomen dat men van rechters gaat zeggen
dat zij "teveel televisie kijken", zoals ook de politie overkomen is?)
Nussbaum stelde ook niet het rechtsdenken en het narratieve weten
tegenover elkaar, maar zocht juist naar complementariteit: rechters kunnen
van romans veel leren, in het bijzonder een feitengevoeligheid die tot
andere uitspraken leidt, alsmede een krachtiger vermogen om de feiten te
"componeren". Aan de hand van enkele recente uitspraken werkt zij dit punt
op een juist voor juristen overtuigende manier uit. Wie uitgaat van de
stelling dat wij, juristen, "need more novels" vindt in dit boek heel
helder achtergrondmateriaal. Het wachten was echter, meende ik na de
lezing van haar boek, op een echte juridische román. Uiteraard lagen er al
de vele Grishams en Turows en epigonen in de etalages, maar die waren
literair toch niet echt interessant. Dat nu is wel het geval met "Babel
Tower" van A.S. Byatt. (A.S. Byatt, Babel Tower. Chatto & Windus,
Londen 1996, 617 blz., f. 48,60.) Het boek bevat op het eerste gezicht
twee plots, - waarvan pas na diep doordenken duidelijk is in welk verband
zij tot elkaar staan, - maar het gaat in feite maar over één onderwerp, de
opkomst van de "permissive society" in de jaren 1963-1967. De twee plots
geven ieder op hun eigen manier gestalte aan die opkomst, als achtergrond
en voorgrond. Op de voorgrond staat het verhaal van Frederica Potter, een
jonge vrouw van de leeftijd van Byatt (1936), die in het liberale, maar
nog exclusieve Cambridge van de 50er jaren Engelse letteren heeft
gestudeerd en vervolgens - wat overhaast - is getrouwd met een
conservatieve landjonker. De herinneringen aan haar studietijd plus een
nogal robuust optreden van haar jaloerse echtgenoot brengen haar er
tenslotte toe van haar man weg te lopen en een echtscheidingsprocedure te
beginnen. Hun zoontje Leo is met haar meegegaan. Haar vroegere vrienden
helpen haar bij het vinden van werk en huisvesting en een groot deel van
het verhaal is in beslag genomen door de vertelling van haar
wederwaardigheden daarbij. Frederica gaat lesgeven en vindt daarin een
enorme bevrediging. Zij is vooral bezig met de schrijvers van haar eigen
jeugd: Forster en Lawrence, schrijvers die grote invloed op haar hebben
gehad, zelfs het referentiekader hebben geleverd waarin zij indertijd haar
eigen huwelijk kon begrijpen. Parallel aan dit verhaal wordt - in een
boek ín "Babel Tower" dat "Babbletower" heet, - de geschiedenis verteld
van een groep mensen die de Franse Revolutie heeft weten te ontvluchten en
zich heeft gevestigd op het uitgestrekte landgoed van hun egalitaire
leider Culvert. Deze, de "Projector", huldigt de opvatting dat de
maatschappij zo moet zijn ingericht dat alle verlangens en wensen in het
openbaar uitgeleefd moeten kunnen worden. Geleidelijkaan ziet men de
verandering van de aanvankelijk anti-autoritaire groep in een
sado-masochistische dwanggemeenschap waarin gemarteld en op esthetisch
prachtige, maar gruwelijke wijze gedood wordt. "Babbletower" wordt
geschreven door een bekende van Frederica Potter, Jude Mason genaamd, een
profetische gestalte, zichzelf afficherende als aanhanger van Nietzsche,
een "Anti-Christ". De publicatie van het boek leidt tot een
strafvervolging wegens obsceniteit. Wat hebben juristen aan zo'n boek?
"Babel Tower" is uiteraard in de eerste plaats een literaire roman, niet
een door een letterkundige bedachte hoeveelheid materiaal voor studenten
in het vak "recht en literatuur". Byatt is ook geen
"novelist-turned-lawyer" zoals de genoemde Grisham of Turow. Zij is
geïnteresseerd in taal en letterkunde, zo zeer zelfs dat zij zichzelf - in
het personage Frederica Potter - definieert als een persoonlijkheid die is
gevormd, - niet door een godsdienstige of politieke overtuiging of zelfs
filosofische richting, zoals wij in Nederland gewend zijn te doen, - maar
door de literatuur, i.c. die van Forster en Lawrence. De nieuwe
maatschappij, welke die van een jongere generatie is dan de hare en die
haar theoretische en tegelijk kritische behandeling vindt in
"Babbletower", ontstaat een beetje buiten haar om, is voor haar verhaal
achtergrond. Daarin ligt dan de nauwere samenhang tussen de twee plots van
het boek. (Er is ook de meer intrinsieke samenhang dat Frederica veel
moeite heeft met het ter terechtzitting vertellen van een aantal
intimiteiten van haar huwelijk, terwijl er in "Babbletower" juist een punt
van wordt gemaakt dat alle intimiteiten aan de hele gemeenschap worden
verteld. Van dit soort soms heel intrigerende verbanden zijn er teveel om
op te noemen.) Dat alles maakt het boek tot een gewoon mooie en boeiende roman. Voor juristen zijn er
echter enkele extraatjes. Ongetwijfeld is het bij voorbeeld al interessant te lezen hoe de
opkomst van de "permissive society" o.a. weerspiegeld werd in strafprocessen betreffende de
obsceniteit. (Men leze hierover bv. ook "The End of Obscenity. The Trials of Lady
Chatterley, Tropic of Cancer & Fanny Hill by the Lawyer who defended them", Charles
Rembar, waaruit Byatt wel geput lijkt te hebben.) Er is echter nog
meer. De beide in het boek voorkomende rechtszaken worden in extenso
verteld in twee opeenvolgende hoofdstukken waarvan dat over "Babbletower"
70 bladzijden in beslag neemt. Samen met het verslag van de
echtscheidingsprocedure beslaan deze verslagen ruim 20 % van het totale
boek, grotendeels in letterlijke weergaven van het gesprokene ter
terechtzitting. Zij vormen duidelijk de climax van het boek. Het laatste
hoofdstuk is niet meer dan een anti-climax of afronding. Deze
rechtbankverslagen voegen heel belangrijke aspecten toe aan de twee
vertelde verhalen. Door het vraag- en-antwoord-spel op de terechtzittingen
wordt bij voorbeeld duidelijk wat met "Babbletower" bedoeld is: het boek
is gebaseerd op de literatuur van Fourier en De Sade en laat zien dat het
door de eerste gepreekte egalitarisme ontaardt in het machtsmisbruik en de
ongelijkheid die door de tweede zijn beschreven. Byatt ziet in het
gedachtengoed van deze beide denkers de ideologische achtergrond van de
opkomende "permissive society". De verslagen bevatten ook wat de
juristen (barristers, sollicitors, judges) in hun "legal narratives" van
de wederwaardigheden van Frederica en van "Babbletower" maken. Frederica,
en men moet aannemen de schrijfster zelf ook, heeft sterke twijfels over
de manier waarop zij haar verhaal "vertalen in het juridisch". Doordat
beide versies van dezelfde gebeurtenissen in extenso zijn opgenomen, kan
de lezer zelf bepalen wat hij vindt van die twijfels en ik denk dat het
boek om die reden voor beoefenaren van "recht en literatuur" buitengewoon
interessant is. Minstens twee vragen rijzen als vanzelf. Móét in een
rechtsgeding wel op dezelfde manier op de zaak worden ingegaan als in een
roman? Zijn juristen qua talis in staat om gebeurtenissen in voldoende
mate in juridische taal uit te drukken? Twee mooie casus-posities derhalve
in één boek, geschikt om onderzoek te verrichten naar de relatie tussen
het narratieve en het juridische feitenrelaas. Kan men op grond van dit boek inderdaad onderschrijven dat (feiten)rechters meer romans
moeten lezen? Het leuke van "Babel Tower" is dat wij hier niet te doen hebben met een
literairwetenschappelijke of rechtsgeleerde uiteenzetting, maar met een novelistische tekst
(van groot letterkundig gehalte). Deze tekst combineert bovendien de twee vormen van de
romaneske en de juridische weergave van dezelfde feiten. De laatste schiet in juridisch
gehalte niet tekort. (Zo maakt Byatt van de functionarissen geen karikaturen en maakt zij er
zich niet met vaag moralistisch en ethisch gepraat in plaats van streng juridisch redeneren van
af.) De schrijfster neigt er - als letterkundige? - toe te stellen dat de geschiedenissen die de
feiten van de beide gedingen vormen, er in hun "legal narrative" bij inschieten. Als jurist heb
ik dat gevoel eigenlijk nauwelijks. Weliswaar komen zij in hun novelistische vorm beter tot
"uitdrukking", pas in hun juridische vorm komen zij, letterlijk, tot hun "recht". Ik geloof dat
Byatt bv. ook wel begrepen heeft dat het enkele uitdrukken van feiten, hoe letterkundig fraai
en expressief ook, niet leidt tot echtscheiding. Met andere woorden, het boek is zeer
afgewogen en biedt een uitstekend materiaal voor de bestudering van de vraag wat tot de leest
van de letterkundige en wat tot die van de jurist behoort. Ik geloof niet dat rechters er
inzichten in vinden, bv. omtrent de vooral door aanhangers van de "law and literature"
beweging zo graag geclaimde humaniteit en sociaalgevoeligheid van "de" literatuur. Ik ben
zelfs geneigd te stellen dat de "vertaling" van de relazen der gebeurtenissen in "legal
narratives" door de in het boek optredende advocaten heel bevredigend is, temeer daar het
niet blijft bij een dagvaarding van een A4-tje. Het boek lijkt mij voor rechters vooral van nut
als vacantieliteratuur. Voor studenten die zich tijdens hun studie - in een keuzevak, in een
scriptie, - een scherp omlijnd beeld willen vormen van het onderscheid tussen
rechtsgeleerdheid en letterkunde lijkt het mij geknipt, evenals voor docenten die moeten
uitleggen waarin het "typisch juridische" bestaat en in het literaire een mooi contrast hebben.
Ton Lenssen (1996) (Gepubliceerd in
het Nederlands Juristenblad.)
|