Dante's visie op zijn "Commedia":
(algemeen deel(1) van de brief aan Can Grande della Scala)
(2)

inleiding en vertaling door Ton Lenssen

Inleiding (In bewerking.)

Het is niet helemaal zeker of de brief aan Can Grande della Scala, heer van Verona, waarvan hieronder het eerste deel vertaald is, van Dante zelf is. Ongeveer het enige aan de hand waarvan men dit kan bepalen is de inhoud en de stijl van de tekst. Een globale kennisneming daarvan toont aan dat het de tekst is van een geoefend schrijver, iemand die de "ars dictaminis" beheerst, de middeleeuwse techniek van het schrijven van teksten van uiteenlopende soort. Er zijn echter ook al een aantal typisch humanistische stijlkenmerken aan te wijzen, zoals de enorme "copia verborum" (overvloed aan woorden) waardoor het stuk eruditie uitstraalt, maar voor ons moeilijk leesbaar is geworden. Veel uitdrukkingen zijn allang niet meer in zwang en wij moeten het doen met voetnoten, zodat ons leestempo niet zo hoog kan zijn als het voor de geletterde tijdgenoot van Dante kan zijn geweest, die dan ook meer van zijn stijl genoten zal hebben. Veel terminologie is ontleend aan toen door de intellectuelen gekende handleidingen, zowel op het gebied van de "ars dictaminis" als op het gebied van de algemene retorica en de "ars poetriae".

Dante Alighieri (1265-1321) was, zoals hijzelf op latere leeftijd schrijft, van geboorte een Florentijn, maar niet meer van opvattingen en gedragspatroon. Hij was toen verbannen en er was zelfs een doodvonnis over hem uitgesproken. Vanaf 1302 zwierf hij van het ene hof naar het andere, afhankelijk van de vorsten van die hoven. Dat neemt niet weg dat hij reële genegenheid voor sommigen kon hebben, zoals voor Can Grande della Scala.

De eerste 13 punten behelzen de aanspraak van de schrijver aan de geadresseerde, in hoofdzaak de "captatio benevolentiae", het trekken van de aandacht. Dat is niet louter vleierij of pluimstrijkerij. Men kan op vele manieren de aandacht trekken. Een cabaretier of een romancier zal proberen te epateren, een spreker met een treffend voorbeeld, enz. De aandacht van de lezer of toehoorder is niet een object dat men kan "pakken". Zij staat ter beschikking van de geadresseerde en hij kan ook onverschilligheid of hoon uiten.
De punten 9, 10 en 11 maken Dante's instelling duidelijk. Hij ondervindt vriendschap van Can Grande en naar zijn opvatting moet vriendschap van beide zijden evenveel inbrengen. De "vriendschap (nl. van de een) wordt geëvenaard en in stand gehouden door iets dat eraan gelijk is" (van de kant van de ander). Uit vriendschap biedt Dante dus aan Can Grande een gedeelte van zijn "Comedia" aan, namelijk het derde, dat "Paradiso" heet.
Dit gezegd hebbende kan hij niet nalaten er een hoeveelheid uitleg aan te geven. Eerst moet hij duidelijk maken dat het om een deel gaat en waarin dat deel-zijn bestaat. Om dat te kunnen moet hij echter eerst het geheel uitleggen, zoals Aristoteles volgens hem heeft geleerd. Van punt 18 tot en met 41 spreekt hij vervolgens over de "Comedia" in haar geheel.
Hij noemt haar, verrassend genoeg, een "leerstellig" werk, een leerdicht. Het is dus niet louter een reisverslag of een galerij van al dan niet geslaagde beelden, maar het wil onderwijzen.
Bij zo'n werk moet men op 6 dingen letten, schrijft hij, "het onderwerp, de agens, de vorm, het doel, de titel van het boek en de soort filosofie". Drie van deze "dingen" slaan zowel op dit deel van de "Comedia" als op de "Comedia" in haar geheel. Het onderhavige deel heeft zijn eigen onderwerp, vorm en opschrift. Daarover gaat het nu nog niet. Wel echter over die dingen die de "Comedia" in haar geheel raken, namelijk de agens, het doel en de soort filosofie.
Om vast te stellen waar het gedicht over gaat (het onderwerp) mag men niet volstaan met de letterlijke betekenis van de woorden. Die zijn namelijk veelzinnig. Men moet dus interpreteren. Er zijn, naar gelang men ze indeelt, twee of vier interpretatiemethoden: de eerste lezing (= interpretatie) leest naar de letter, de tweede is een lezing die naar de (diepere) betekenis zoekt. "De eerste nu wordt letterlijk genoemd, de tweede echter allegorisch of moreel of anagogisch". Dante vat de tweede samen onder de term "allegorisch". De "Comedia" moet men dus letterlijk en allegorisch (inclusief moreel en anagogisch) lezen.
Dit komt erop neer dat er twee onderwerpen zijn: namelijk "in zover het naar de letter wordt genomen en vervolgens naar gelang het allegorisch wordt opgevat".

"Het onderwerp van het hele werk, letterlijk genomen, is dus simpelweg de toestand van de zielen na de dood. Want daarover en daaromheen draait het verloop van het hele werk. Wanneer echter het werk allegorisch wordt gelezen, dan is het onderwerp de mens, naar gelang hij, door met behulp van de wilsvrijheid verdiensten te verwerven of schaden op te lopen, aansprakelijk is jegens de gerechtigheid die beloont en straft."

De eerste betekenis is duidelijk: de zielen bevinden zich na de dood in een van de drie afdelingen van het hiernamaals, zij "zitten" in de hel, het vagevuur of de hemel en ondergaan daar de straf of beloning voor hun leven. (Strikt narratologisch genomen gaat de "Comedia" daar niet over. Zij is het verslag van een tocht, een tocht die wordt afgelegd door de "agens", Dante genaamd, die de opeenvolgende toestanden van de zielen aanschouwt en vertelt. Hierdoor wordt het een "narratio", waarbij overigens de beschrijving van de stadia een beeld geven van de toestand van de zielen na de dood. De "Comedia" is dus, letterlijk genomen, een reisverhaal met zijblikken.)
Het tweede onderwerp is moeilijker te begrijpen. Het is de mens, zegt Dante, ook nu weer geen onderscheid makende tussen vertelling en beschrijving. Het is de mens in zoverre hij zich door zijn vrije wil strafbaar danwel verdienstelijk maakt. Men is al gauw geneigd het laatste over het hoofd te zien en alleen maar van het eerste deel van de "Comedia", de "Inferno" uit te gaan. In het hiernamaals van Dante wordt echter niet alleen maar gestraft, maar ook beloond en om het laatste gaat het eigenlijk vooral, getuige het "komische" karakter van het werk.
Komende tot de vorm wijst Dante erop dat zij tweeledig is, t.w. "als vorm van de verhandeling en als vorm van het behandelen". De verhandeling, het gedicht als tekst, is ingedeeld in drieën: er zijn drie cantiche, elk cantica is verdeeld in canti en elk canto in verzen.
De vorm van behandelen is "poëtisch, fictioneel, beschrijvend, uitweidend, overdrachtelijk en bovendien definiërend, indelend, bewijzend, weerleggend, voorbeelden gevend". Het deel voor "en" kan men poëtisch noemen, het deel erachter filosofisch.

"De titel van het boek luidt: "Begin van de Comedia van Dante Alighieri, Florentijn van geboorte, maar niet van instelling." Om dit te begrijpen moet men weten dat comedia wordt gezegd van ‘comos', dorp, en ‘oda', gezang of lied, en vandaar comedia als een soort ‘dorps- of dorperszang'. De comedia nu is een soort poëtische vertelling, van al het andere verschillend. Zij verschilt van de tragedie, naar haar inhoud, hierin dat de tragedie in het begin bewonderenswaardig en kalm is, op het einde of bij de afloop weerzinwekkend en gruwelijk; zij wordt daarom genoemd naar "tragos", geitebok, en lied, dus bokkenzang, dat wil zeggen stinkend als een bok, zoals blijkt bij Seneca in zijn tragedies. De comedie daarentegen begint met de hardheid van het een of ander, maar haar stof eindigt voorspoedig, zoals bij Terentius blijkt uit zijn comedies."

(Wordt vervolgd.)


1. Magnifico atque victoriosissimo Domino, Domino Kani Grandi de la Scala, sacratissimi Cesarei Principatus in urbe Verona et civitate Vicentie Vicario Generali, devotissimus suus Dantes Alagherii, Florentinus natione non moribus, vitam orat per tempora diuturna felicem, et gloriosi nominis perpetuum incrementum.
2. Inclyta(3) vestre Magnificente laus, quam fama vigil volitando disseminat, sic distrahit in diversa diversos, ut hos in spem sue prosperitatis attollat, hos exterminii deiciat in terrorem. Huius quidem preconium, facta modernorum exsuperans, tanquam veri existentia latius, arbitrabar aliquando superfluum.

3. Verum ne diuturna me nimis incertitudo suspenderet, velut Austri regina Hierusalem petiit, velut Pallas petiit Helicona, Veronam petii fidis oculis discursurus audita. Ibique magnalia vestra vidi, vidi beneficia simul et tetigi; et quemadmodum prius dictorum ex parte suspicabar excessum, sic posterius ipsa facta excessiva cognovi. Quo factum est, ut ex auditu solo cum quadam animi subiectione benevolus prius exstiterim; sed ex visu postmodum devotissimus et amicus.



4. Nec reor, amici nomen assumens, ut nonnulli forsitan obiectarent, reatum presumptionis incurrere, cum non minus dispares connectantur quam pares amicitie sacramento. Nam si delectabiles et utiles amicitias inspicere libeat, illis persepius inspicienti patebit, preeminentes inferioribus coniugari personas.

5. Et si ad veram ac per se amicitiam torqueatur intuitus, nonne summorum illustriumque principum plerumque viros fortuna obscuros, honestate preclaros, amicos fuisse constabit? Quidni? Cum etiam Dei et hominis amicitia nequaquam impediatur excessu!

6. Quod si cuiquam, quod asseritur, nunc videretur indignum, Spiritum Sanctum audiat, amicitie sue participes quosdam homines profitentem. Nam in Sapientia de sapientia legitur, quoniam infinitus thesaurus est hominibus, quo usi sunt, participes facti sunt amicitie Dei.


7. Sed habet imperitia vulgi sine discretione iudicium; et quemadmodum solem pedalis magnitudinis arbitratur, sic et circa mores vana credulitate decipitur. Nos autem quibus optimum quod est in nobis noscere datum est, gregum vestigia sectari non decet, quin ymo suis erroribus obviare tenemur. Nam intellectu ac ratione degentes, divina quadam libertate dotati, nullis consuetudinibus adstringuntur. Nec mirum, cum non ipsi legibus sed ipsis leges potius dirigantur.



8. Liquet igitur, quod superius dixi, me scilicet esse devotissimum et amicum, nullatenus esse presumptum.
9. Preferens ergo amicitiam vestram quasi thesaurum carissimum, providentia diligenti et accurata sollicitudine illam servare desidero.
10. Itaque, cum in dogmatibus moralis negotii amicitiam adequari et salvari analogo doceatur, ad retribuendum pro collatis beneficiis plus quam semel analogiam se mihi votivum est; et propter hoc munuscula mea sepe multum conspexi et ab invicem segregavi, nec non segregata percensui, digniusque gratiusque vobis inquirens.
11. Neque ipsi preheminentie vestre congruum comperi magis quam Comedie sublimem canticam, que decoratur titulo Paradisi; et illam sub presenti epistola, tanquam sub epigrammate proprio dedicatam, vobis adscribo, vobis offero, vobis denique recommendo.
12. Illud quoque preterire silentio simpliciter inardescens non sinit affectus, quod in hac donatione plus dono quam domino honoris et fame conferri videri potest; quin ymo, cum eius titulo iam presagium de gloria vestri nominis amplianda, satis attentis videar expressisse; quod de proposito.


13. Sed zelus gratie vestre, quam sitio, vitam parvipendens, a primordio metam prefixam urgebit ulterius. Itaque, formula consummata epistole,(4) ad introductionem oblati operis aliquid sub lectoris officio (5) compendiose aggrediar.


14. Sicut dicit Philosophus in secundo Metaphysicorum: "Sicut res se habet ad esse, sic se habet ad veritatem"; cuius ratio est, quia veritas de re, que in veritate consistit tanquam in subiecto, est similitudo perfecta rei sicut est.


15. Eorum vero que sunt, quedam sic sunt, ut habeant esse absolutum in se; quedam sunt ita, ut habeant esse dependens ab alio per relationem quandam, ut eodem tempore esse, et ad aliud se habere, ut relativa, sicut pater et filius, dominus et servus, duplum et dimidium, totum et pars, et huiusmodi, in quantum talia.
16. Propterea quod esse talium dependet ab alio, consequens est quod eorum veritas ab alio dependeat: ignorato enim dimidio, nunquam cognoscitur duplum; et sic de aliis.
17. Volentes igitur aliqualem introductionem tradere de parte operis alicuius, oportet aliquam notitiam tradere de toto cuius est pars. Quapropter et ego, volens de parte supra nominata totius Comedie aliquid tradere per modum introductionis, aliquid de toto opere premittendum existimavi, ut facilior et perfectior sit ad partem introitus.

18. Sex igitur sunt que in principio cuiusque doctrinalis operis inquirenda sunt, videlicet subiectum, agens, forma, finis, libri titulus, et genus philosophie. De istis tria sunt in quibus pars ista, quam vobis destinare proposui, variatur a toto, scilicet subiectum, forma et titulus; in aliis vero non variatur, sicut apparet inspicienti; et ideo, circa considerationem de toto, ista tria inquirenda seorsum sunt: quo facto, satis patebit ad introductionem partis.

19. Deinde inquiremus alia tria, non solum per respectum ad totum, sed etiam per respectum ad ipsam partem oblatam.

20. Ad evidentiam itaque dicendorum, sciendum est quod istius operis non est simplex sensus, ymo dici potest polysemos, hoc est plurium sensuum; nam primus sensus est qui habetur per litteram, alius est qui habetur per significata per litteram. Et primus dicitur litteralis, secundus vero allegoricus, sive moralis, sive anagogicus.


21. Qui modus tractandi, ut melius pateat, potest considerari in his versibus: "In exitu Israel de Egypto, domus Iacob de populo barbaro, facta est Iudea sanctificatio eius, Israel potestas eius". (6) Nam si ad litteram solam inspiciemus, significatur nobis exitus filiorum Israel de Egypto, tempore Moysi; si ad allegoriam, nobis significatur nostra redemptio facta per Christum; si ad moralem sensum, significatur nobis conversio anime de luctu et miseria peccati ad statum gratie; si ad anagogicum, significatur exitus anime sancte ab huius corruptionis servitute ad eterne glorie libertatem.



22. Et quamquam isti sensus mystici variis appellentur nominibus, generaliter omnes dici possunt allegorici, cum sint a litterali sive historiali diversi. Nam allegoria dicitur ab 'alleon' grece, quod in latinum dicitur 'alienum', sive 'diversum'.


23. Hiis visis, manifestum est quod duplex oportet esse subiectum circa quod currant alterni sensus. Et ideo videndum est de subiecto huius operis, prout ad litteram accipitur; deinde de subiecto, prout allegorice sententiatur.


24. Est ergo subiectum totius operis, litteraliter tantum accepti, status animarum post mortem simpliciter sumptus. Nam de illo et circa illum totius operis versatur processus.
25. Si vero accipiatur opus allegorice, subiectum est homo, prout merendo et demerendo per arbitrii libertatem iustitie premiandi et puniendi obnoxius est.


26. Forma vero est duplex, forma tractatus et forma tractandi. Forma tractatus est triplex, secundum triplicem divisionem. Prima divisio est, qua totum opus dividitur in tres canticas. Secunda, qua quelibet cantica dividitur in cantus. Tertia, qua libet cantus dividitur in rithimos.

27. Forma sive modus tractandi est poeticus, fictivus, descriptivus, digressivus, transumptivus; et cum hoc diffinitivus, divisivus, probativus, improbativus, et exemplorum positivus. (7)

28. Libri titulus est: 'Incipit Comedia Dantis Alagherii, Florentini natione, non moribus'. Ad cuius notitiam sciendum est, quod comedia dicitur a 'comos', villa, et 'oda', quod est cantus, unde comedia quasi 'villanus cantus'.

29. Et est comedia genus quoddam poetice narrationis, ab omnibus aliis differens. Differt ergo a tragedia, in materia per hoc, quod tragedia in principio est admirabilis et quieta, in fine seu exitu est fetida et horribilis; et dicitur propter hoc a 'tragos', quod est hircus, et oda, quasi 'cantus hircinus', idest fetidus ad modum hirci, ut patet per Senecam in suis tragediis. Comedia vero inchoat asperitatem alicuius rei, sed eius materia prospere terminatur, ut patet per Terentium in suis comediis. Et hinc consueverunt dictatores quidam in suis salutationibus dicere loco salutis, 'tragicum principium, et comicum finem'.


30. Similiter differunt in modo loquendi: (8) elate et sublime tragedia; comedia vero remisse et humiliter; sicut vult Oratius in sua Poetria, ubi licentiat aliquando comicos ut tragedos loqui, et sic e converso: Interdum tamen et vocem comedia tollit, Iratusque Chremes tumido delitigat ore; Et tragicus plerunque dolet sermone pedestri Telephus et Peleus etc.

31. Et per hoc patet, quod comedia dicitur presens opus. Nam si ad materiam respiciamus, a principio horribilis et fetida est, quia Infernus; in fine prospera, desiderabilis et grata, quia Paradisus; ad modum loquendi, remissus est modus et humilis, quia locutio vulgaris, in qua et muliercule communicant.

32. Et sic patet quare Comedia dicitur. Sunt et alia genera narrationum poeticarum, scilicet carmen bucolicum, elegia, satira, et sententia votiva, ut etiam per Oratium patere potest in sua Poetria; sed de istis ad presens nihil dicendum est.

33. Potest amodo patere quomodo assignandum sit subiectum partis oblate. Nam, si totius operis litteraliter sumpti sic est subiectum: status animarum post mortem, non contractus sed simpliciter acceptus, manifestum est quod hac in parte talis status est subiectum, sed contractus, scilicet status animarum beatarum post mortem.

34. Et si totius operis allegorice sumpti subiectum est homo, prout merendo et demerendo per arbitrii libertatem est iustitie premiandi et puniendi obnoxius, manifestum est in hac parte hoc subiectum contrahi, et est homo, prout merendo obnoxius est iustitie premiandi.


35. Et sic patet de forma partis per formam adsignatam totius. Nam, si forma tractatus in toto est triplex, in hac parte tantum est duplex, scilicet divisio cantice et cantuum.

36. Non eius potest esse propria forma divisio prima, cum ista pars sit prime divisionis.
37. Patet etiam libri titulus. Nam si titulus totius libri est: 'Incipit Comedia etc.', ut supra; titulus autem huius partis est: 'Incipit cantica tertia Comedie Dantis etc., que dicitur Paradisus'.


38. Inquisitis his tribus in quibus variatur pars a toto, videndum est de aliis tribus in quibus nulla variatio est a toto. Agens igitur totius et partis est ille qui dictus est, et totaliter videtur esse.


39. Finis totius et partis esse posset et multiplex, scilicet propinquus et remotus. Sed omissa subtili investigatione, dicendum est breviter quod finis totius et partis est, removere viventes in hac vita de statu miserie et perducere ad statum felicitatis.

40. Genus vero philosophie, sub quo hic in toto et parte proceditur, est morale negotium, sive ethica; quia non ad speculandum, sed ad opus inventum est totum et pars.

41. Nam si in aliquo loco vel passu pertractatur ad modum speculativi negotii, hoc non est gratia speculativi negotii, sed gratia operis; quia, ut ait Philosophus in secundo Methaphysicorum, "ad aliquid et nunc speculantur practici aliquando".

1. Aan de grote en zegenrijke heer, heer Can Grande della Scala, vicaris-generaal van de allerheiligste keizer, vorst in de stad Verona en de gemeenschap van Vicenza, wenst uw meest toegewijde Dante Alighieri, Florentijn, van geboorte, niet van instelling, een gelukkig en lang leven en een voortdurende toename van zijn glorierijke naam.
2. De bekende lof voor uwe Doorluchtigheid, die de waakzame faam vliegensvlug verspreidt, brengt de mensen tot verschillende reacties en voedt bij sommigen de hoop op voorspoed, stort anderen in angst voor de ondergang. De verheerlijking ervan, de daden van tijdgenoten overstijgende, alsmede (het gebied van) de waarheid te buiten gaande, vond ik wat overdreven.
3. De waarheid is dat ik, om niet langer in onzekerheid te blijven, - zoals de koningin van Sheba naar Jerusalem, zoals Pallas naar de Helikon ging, - naar Verona ben gekomen om met de ogen die ik kan vertrouwen, het gehoorde te aanschouwen. En hier heb ik uw grote werken gezien, heb ik de weldaden gezien en aangeraakt; en heb ik, zoals ik eerst de overdrijving van wat er gezegd werd vermoedde, later de overdrijving van de feiten zelf leren kennen, zodat ik, zoals ik eerst door het gehoorde alleen door een neiging van mijn ziel welwillend gestemd was, later op grond van wat ik zag de meest toegewijde en vriend werd.
4. En ik ben niet bang, mij vriend noemende, om, zoals sommigen mij misschien voorhouden, de schuld van bevooroordeeldheid op te lopen, nu ongelijken niet minder door de heilige band van de vriendschap verbonden worden dan gelijken. Want als men aangename en nuttige vriendschappen in de beschouwing wil betrekken, dan blijkt meestal dat hogeren zich verbinden met lageren.
5. En als men dan oog heeft gekregen voor ware vriendschap die bestaat om zichzelfs wil, moet men dan niet vaststellen dat mannen van obscure fortuin, maar vermaard om hun eerlijkheid, vrienden waren van de hoogste en meest illustere vorsten? Waarom niet? Nu immers zelfs de vriendschap tussen God en de mens niet wordt vertroebeld door ongelijkheid!
6. Mocht echter wat ik stel aan iemand onbehoorlijk voorkomen, laat hij dan horen wat de Heilige Geest zegt als hij van sommige mensen zegt dat zij deelgenoten in zijn vriendschap zijn. Want in het boek "Wijsheid" leest men over de wijsheid dat zij een onuitputtelijke schat voor de mensen is en dat zij die er gebruik van maken deelgenoten worden in de vriendschap van God.
7. De onkunde van het volk geeft het echter een oordeel zonder inzicht; en net zoals het denkt dat de zon een voet groot is, zo wordt het volk ook omtrent de gebruiken door een ijdele gelovigheid bedrogen. Ons echter, aan wie is gegeven om het beste in ons te kennen, past het niet om in het spoor van de kudde te lopen, wij zijn integendeel juist gehouden om hun vergissingen te bestrijden. Zij immers, verstoken van verstand en rede, hoewel toegerust met een soort goddelijke vrijheid, zijn door geen gebruiken gebonden. En dat is niet vreemd, aangezien zij niet door wetten, maar de wetten door hen geleid worden.
8. Het is dus duidelijk dat, zoals ik boven heb gezegd, namelijk dat ik uw toegewijde en vriend ben, niet overdreven is.
9. Uw vriendschap verkiezende als een zeer dierbare schat, wil ik haar dienen door zorgvuldige voorzienigheid en nauwgezette toewijding.
10. Omdat dus de moraal leert dat vriendschap wordt geëvenaard en in stand gehouden door iets dat eraan gelijk is, wil ik de gunsten die mij meer dan eens te beurt zijn gevallen met gelijke munt terugbetalen; deswege heb ik mijn geschenken vaak bekeken en naast elkaar gelegd en met elkaar vergeleken om te zien welk het voor u waardigste en het aardigste zou zijn.
11. En ik weet niets dat meer passend is voor uwe Eminentie dan het verheven gedicht van de Comedia, dat als titel draagt het Paradijs; en bij deze brief, als opgedragen onder een toepasselijk epigram, stuur ik u dat, bied ik het u aan en beveel ik het bij u aan.
12. Mijn brandende genegenheid kan ook niet toestaan dat simpelweg in stilte wordt voorbijgegaan aan het feit dat in deze gift meer eer en roem aan het gegevene dan aan de heer lijkt te zijn toegekend; echter, doordat reeds in de aanhef over de glorie van uw naam is uitgeweid, denk ik dat die voor de aandachtige lezers voldoende tot uitdrukking is gebracht; en dat was mijn bedoeling.
13. Niettemin drong mij het verlangen naar uw gunst, als dorst, mijn leven veronachtzamend, over de aanvankelijk gestelde doelstelling (9) heen. Ik heb dus, ervan uitgaande dat aan het voorschrift met betrekking tot de vorm van de brief is voldaan, ter inleiding tot het aangeboden werk, in de functie van lezer, nogal uitvoerig, het een en ander bijeengebracht.
14. Zoals de Filosoof zegt in het tweede boek van de "Metafysika": "Zoals een zaak zich verhoudt tot het zijn, zo verhoudt zij zich tot de waarheid." De reden hiervoor is dat de waarheid van een zaak, die in werkelijkheid als het ware in het onderwerp zit, de volmaakte gelijkenis is van de zaak zoals zij is.
15. Van de dingen nu die zijn, zijn sommige zo dat zij het absolute zijn in zich hebben; andere zijn er die een zijn hebben dat door een relatie afhangt van iets anders, zoals op hetzelfde tijdstip zijn en zich tot iets anders verhouden, zoals vader en zoon, heer en slaaf, het dubbele en de helft, het geheel en het deel, en vele andere op deze manier.
16. Dus, als het zijn hiervan afhangt van iets anders, hangt zijn waarheid van iets anders af: als men niet weet wat de helft is, weet men ook niet wat het dubbele is, en zo voorts.
17. Als men dus een inleiding tot een deel van een werk wil geven, moet men iets zeggen over het geheel waarvan het een deel is. Waarom ook ik, daar ik over het bovengenoemde deel van de gehele Commedia bij wijze van inleiding iets te berde wil brengen, het nodig vond iets over het gehele werk voorop te stellen, opdat de toegang tot het deel gemakkelijker en volmaakter is.
18. Zes dingen moet men met betrekking tot een leerstellig (10) werk in beginsel onderzoeken, namelijk het onderwerp, de agens, (11) de vorm, het doel, de titel van het boek en de soort filosofie. Van deze zijn er drie aan te wijzen waarin het onderhavige deel verschilt van het geheel, namelijk het onderwerp, de vorm en het opschrift; in de andere zaken echter verschilt het niet, zoals ieder die oplet blijkt; derhalve moeten bij de beschouwing van het geheel die drie onderzocht worden: daarna ligt de weg open naar de inleiding tot het deel.
19. Vervolgens onderzoeken wij de andere drie, niet alleen in verband met het geheel, maar ook met het aangeboden deel zelf.
20. Ter verduidelijking dus van wat ik ga zeggen moet men weten dat de betekenis van dit werk niet enkelvoudig is, het kan veelduidig genoemd worden, dat wil zeggen dat het verscheidene betekenissen heeft; de eerste bestaat immers in dat wat men naar de letter leest, de tweede in een lezing die naar de (diepere) betekenis zoekt. De eerste nu wordt letterlijk genoemd, de tweede echter allegorisch of moreel of anagogisch.
21. En deze manier van doen kan men, om haar te verduidelijken, beschouwen in de volgende verzen: "Bij het vertrek van Israel uit Egypte, het huis van Jacob uit een barbaars volk, werd Judea zijn heiligdom, Israel zijn heerschappij." Als wij dit alleen naar de letter bekijken, betekent het voor ons het vertrek van de zonen van Israel uit Egypte, ten tijde van Mozes; naar de allegorie betekent het onze verlossing door Christus; volgens de morele lezing betekent het voor ons de bekering van de ziel van strijd en de ellende van de zonde tot de staat van genade; anagogisch betekent het voor ons de uittocht van de heilige ziel uit de slavernij van die verdorvenheid tot de vrijheid van de eeuwige glorie.
22. En hoewel deze mystieke betekenissen met verschillende namen worden benoemd, kunnen ze in het algemeen allemaal allegorisch worden genoemd, omdat zij van de letterlijke of historische (12) verschillen. Het woord "allegorisch" wordt immers afgeleid van het Griekse "alleon", dat in het latijn "alienum" (vreemd) of "diversum" (verschillend) heet.
23. In het licht hiervan is het duidelijk dat het onderwerp tweevoudig hoort te zijn daar er twee verschillende betekenissen in omloop zijn. En dus moet men het onderwerp van dit werk bekijken in zover het naar de letter wordt genomen en vervolgens naar gelang het allegorisch wordt opgevat.
24. Het onderwerp van het hele werk, letterlijk genomen, is dus simpelweg de toestand van de zielen na de dood. Want daarover en daaromheen draait het verloop van het hele werk.
25. Wanneer echter het werk allegorisch wordt gelezen, dan is het onderwerp de mens, naar gelang hij, door met behulp van de wilsvrijheid verdiensten te verwerven of schaden op te lopen, aansprakelijk is jegens de gerechtigheid die beloont en straft.
26. De vorm echter is tweevoudig, t.w. als vorm van de verhandeling en als vorm van het behandelen. De vorm van het tractaat is drievoudig, volgens de drievoudige verdeling. De eerste verdeling is die waardoor het hele werk verdeeld is in drie cantiche. De tweede die elk cantica verdeelt in canti. De derde verdeelt elk canto in verzen.
27. De vorm of wijze van behandeling is poëtisch, fictioneel, beschrijvend, uitweidend, overdrachtelijk en bovendien definiërend, indelend, bewijzend, weerleggend, voorbeelden gevend.
28. De titel van het boek luidt: "Begin van de Comedia van Dante Alighieri, Florentijn van geboorte, maar niet van instelling." Om dit te begrijpen moet men weten dat comedia wordt gezegd van ‘comos', dorp, en ‘oda', gezang of lied, en vandaar comedia als een soort ‘dorps- of dorperszang.
29. De comedia nu is een soort poëtische vertelling, van al het andere verschillend. Zij verschilt van de tragedie, naar haar inhoud, hierin dat de tragedie in het begin bewonderenswaardig en kalm is, op het einde of bij de afloop weerzinwekkend en gruwelijk; zij wordt daarom genoemd naar "tragos", geitebok, en lied, dus bokkenzang, dat wil zeggen stinkend als een bok, zoals blijkt bij Seneca in zijn tragedies. De comedie daarentegen begint met de hardheid van het een of ander, maar haar stof eindigt voorspoedig, zoals bij Terentius blijkt uit zijn comedies. En daarom zijn dictatores (13) gewoon in hun salutationes (14) in plaats van de begroeting te zeggen "een tragisch begin en een comische afloop".
30. Eveneens verschillen zij in stijl: de tragedie is gedragen en verheven; de comedie daarentegen los en bescheiden, zoals Horatius in zijn Poëtica wil, waar hij goed vindt dat comedieschrijvers nu en dan als tragici schrijven en vice versa: "Niettemin verheft ook de comedie wel eens haar stem en kijft een woedende Chremes met opgeblazen mond; en de tragicus uit zijn smart ook vaak in straattaal Telephus en Peleus enz."
31. En hieruit blijkt dat het onderhavige werk een comedie heet. Want als wij naar de stof kijken dan zien wij dat zij aan het begin angstaanjagend en smerig is, zoals de hel; op het einde gelukkig, begerenswaardig en bekoorlijk, zoals het paradijs; kijken wij naar de stijl, die is los en bescheiden, zoals de volkstaal waarin ook de vrouwtjes praten.
32. En dit maakt duidelijk waarom het werk comedie wordt genoemd. Er bestaan ook andere soorten narratieve gedichten, zoals het herdersdicht, de elegie, de satire en het votiefgebed, zoals ook Horatius uiteenzet in zijn "Ars Poetica", maar daar zal ik het nu niet over hebben.
33. Van nu af kan duidelijk zijn hoe aan het opgedragen deel het onderwerp wordt toebedeeld. Want als van het hele werk, naar de letter genomen, dit het onderwerp is: de toestand van de zielen na de dood, niet beperkt, maar eenvoudig genomen, dan is duidelijk wat in dit deel van die toestand het onderwerp is, zij het beperkt, namelijk de toestand van de gelukzalige zielen na de dood.
34. En als het onderwerp van het hele werk, allegorisch geïnterpreteerd, de mens is naar gelang hij, door met behulp van de wilsvrijheid verdiensten te verwerven of schaden op te lopen, aansprakelijk is jegens de gerechtigheid die beloont en straft, dan is duidelijk dat in dit deel het onderwerp beperkt is en gevormd wordt door de mens, voor zover voor zijn verdiensten aansprakelijk jegens de belonende gerechtigheid.
35. En zo is de vorm van het deel duidelijk door de vorm die aan het geheel is toegekend. Want als de vorm van het tractaat in zijn geheel drievoudig is, in dit deel is zij slechts tweevoudig, namelijk de indeling van het cantica en van de canti.
36. De eerste indeling kan niet de eigen vorm zijn, daar dit deel van de eerste indeling deel uitmaakt.
37. De titel van het boek is duidelijk. Als immers de titel van het hele werk luidt: "Begin van de comedie enz.", zoals boven gezegd, dan is de titel van het huidige deel: "Begin van het derde cantica van de comedie van Dante enz. dat "Paradiso" heet".
38. Nu wij de drie dingen onderzocht hebben waarin het deel verschilt van het geheel, moeten wij de andere dingen bekijken waarin het niet verschilt van het geheel. De actant nu van het geheel en van het deel is degene die genoemd is en die het voor het geheel is.
39. Het doel van het geheel en van het deel kan ook veelvoudig zijn, namelijk dichtbij en verwijderd. Maar met weglating van subtiliteiten kan men kortweg zeggen dat de bedoeling van het geheel en het deel is: de levenden te verlossen uit de toestand van ellende en te leiden naar de toestand van geluk.
40. De filosofische discipline waartoe dit werk in zijn geheel en in zijn deel behoort, is het morele gedrag oftewel de ethica, aangezien het geheel en het deel niet is bedacht om te reflecteren, maar om te doen.
41. Als op de een of andere plaats of passage gedaan wordt overeenkomstig de manier van de reflectie, dan is dat niet dankzij die manier van doen, maar dankzij het werk; zoals de Filosoof zegt in het tweede boek van de Metafysika: "nu en dan reflecteren ook de praktische mensen".
Noten: (In bewerking.)
1.De brief aan Can Grande della Scala (1291-1329), heer van Verona, is nummer 13 van de brieven van Dante die bewaard zijn gebleven. Men is er nog niet helemaal zeker van dat hij door Dante zelf is geschreven. Met deze brief wordt het derde cantica van de "Divina Commedia", "Paradiso", aangeboden aan Can Grande. De eerste helft van deze brief, vanaf punt 13, is echter gewijd aan het gedicht in zijn geheel. De bovenstaande vertaling beperkt zich tot het eerste, het algemene deel.
2. Ernst-Robert Curtius wijdt een paragraaf aan "Dantes Selbstauslegung". Hij bespreekt het onderwerp van de interpretatie van een auteur aan de hand van de brief aan Can Grande della Scala.
3. "inclytus" = inclutus, beroemd, bekend.
4. Wat verlangde de "formula epistolae" op dit punt?
5. Of een oratio goed, "consumata", was stond in de klassieke retorika ter beoordeling van de toehoorders (en/of de lezers). Zie XXXX. De voetnoot van Nauta dat Dante hier "duidelijk" een overgang markeert naar "een didactisch exposé of tekst-commentaar" is dus onjuist. De toehoorder/ lezer kan niet "didactisch" optreden, alleen maar "critisch". De toehoorder in kwestie is trouwens hier Can Grande aan wie het gedicht, dat Dante opvat als een betoog, gericht is.
6. Psalm 114, 1-2
7. Vertaling ontleend aan P. Wackers. Wackers citeert of noemt overigens Dante niet. Zie ook: Discours poétique et discours scientifiques dans la "Vita Nuova" de Dante par Claire Cabaillot (27/03/02): "Ces deux séries correspondent manifestement à deux aspects de la Divine Comédie: la prémière caractérise l'aspect poético-rhétorique de l'oeuvre, la deuxième l'aspect philosophique. La formule et cum hoc associe indissolublement les deux aspects. Dante dit en somme dans ce passage: mon oeuvre est poésie et en même temps philosophie." Zie ook Curtius, E.-R., "Dantes Selbstauslegung" in: Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter, pg. 228-232.
8. "Modus loquendi" wordt meestal vertaald met "stijl", te onderscheiden van de "pronunciatio", voordracht.
9. In plaats van alleen maar een brief waarin de "Paradiso" wordt aangeboden, drijft het verlangen naar de gunst van Can Grande Dante nu zover dat hij ook een toelichting op het gedicht gaat geven.
10. Leerstellig? Bedoelt Dante misschien retorisch? Curtius vertaalt met "Lehrwerk".
11. Agens: actant? personage?
12. Historialis: historisch, narratief?
13. Dictatores: zij die bekwaam zijn in de "ars dictaminis".
14. Salutatio: volgens de "ars dictaminis" het eerste deel van een brief.

Literatuur:
Allen, J.C., Commentary as criticism: formal cause, discursive form, and the late medieval accessus, in: Ijsewijn, J. en Keßler, E., (red.), Acta Conventus Neo-Latini Lovaniensis. Proceedings of the First International Congress of Neo-Latin Studies, Louvain 23-28 August 1971. (Reihe: Humanistische Bibliothek, München 1973.)
Cabaillot, C., Discours poétique et discours scientifiques dans la "Vita Nuova" de Dante, 27/03/02.
Curtius, E.-R., Europäische Literatur enz., pg. 228-232, (hoofdstuk 12, par. 3. "Dantes Selbstauslegung").
Dante Alighieri, Das Schreiben an Cangrande della Scala, übersetzt, eingeleitet und kommentiert von Thomas Ricklin, mit einer Vorrede von Ruedi Imbach, Lateinisch-Deutsch, Hamburg Felix Meiner Verlag 1993.
Nauta, L., Dante. Pleidooi voor de eigen taal, Groningen 2001.
Wackers, , P., "Geschiedverhaal of schetskaart" revisited. Overwegingen bij de studie van de Middelnederlandse letterkunde, in: F.P. van Oostrom en Frank Willaert (red.), De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst, Hilversum, 1989, p. 223-242.