|
De révérence van Arlequin
Fabian en Savannah

In illo tempore

Jaren later

La grand-mère d'Aimée
|
(De openingstekst van deze pagina is altijd de meest recente. Voor alle teksten, vanaf het
begin gerangschikt,zie het "Archief van De Rollende
Er"
donderdag 29
mei 2008 Ik was dus uit mijzelf al op de vraag gekomen of ik er niet
beter mee kon stoppen. Dat Inez opdook en wij met elkaar zaten te praten ontdeed
de hele geschiedenis al van alles wat een jeugdherinnering maar kleur
kon geven. Het was goed dat wij de boel nog eens bespraken, maar dat
was dan ook alles. Zij bleef van mening dat ik "gelijk" had gehad in mijn
romantisch idealisme, ik daarentegen had al eeuwen geleden begrepen dat zij er
gelijk in had dat zij zich door iemand anders dan door mij liet bevrijen. Ik kwam
er een beetje bête vanaf, vond ik, maar ging niet overboord. Ik begreep
tenslotte niet waarom zij daar bij mij kwam zitten glimlachen terwijl zij
niets van haar arrangement wilde opgeven. Als ik daar al naar verlangd
had. Stiekum misschien wel, maar als ik geweten had welk een desastreus
effect onze ontmoeting op mijn schrijverij heeft was ik er niet aan
begonnen. Bon. Dat was dan dat. Hoop ik. Het had een haar gescheeld of ik was metterdaad begonnen aan een levensverhaal tegen
haar. Gelukkig ben ik daar echter niet ingetrapt. En gelukkig ben ik nu weer
vrij om te vertellen over de redacteur van "De Urbode". Ik
weet nauwelijks nog waar ik ben gebleven. O ja, bij die entree in de Maastrichtse
kunstenaarswereld. Of moet ik nog verder terug?
woensdag 28 mei
2008 En of de ontmoeting met Inez nog niet genoeg was om mij
niet alleen van het schrijven van dit relaas af te houden maar ook om mij
terzake te ontmoedigen, belde mijn dochter Fie mij in het weekend
op. Zij is 36, mooi, energiek, bewust niet getrouwd. Zij werkt bij de
UNESCO en zit meer in vliegtuigen dan in een woonkamer. Zij belde mij dan
ook vanuit de lucht, een kilometer of tien hoog. Zij belt mij regelmatig,
minstens eens per week en meestal van omhoge. En meestal doet zij haar
naam eer aan als ik haar begroet met "Fie!". "Ik heb je 'Rollende Er'
weer eens gelezen," riep ze, zoals gebruikelijk te hard, "ik was er een
beetje uit. Wat is dat voor onzin die je nu weer bedacht
hebt?" "Hoezo?" antwoordde ik met mijn onnozelste stem waarmee ik haar
altijd op de kast kreeg. "Vind je het niet een beetje
kinderachtig?" "Wat?" "Nou, die zogenaamde liefdesgeschiedenis van
je." "Ende allemaal waar gebeurd." "Ja, maar vijftig jaar
geleden." "En?" "Dat interesseert geen hond meer. Zo gaat het niet
meer. Kinderen lachen zich dood met dat slappe gedoe van jou." Een
dikke vlieg gonsde achter de zonnewering over het raam heen en weer. Ik
kon het niet openzetten en bedacht voor de zoveelste keer dat ik er een
openslaand gedeelte in moest laten zetten, ook voor de ventilatie.
"Kinderen?" dacht ik. Een groepje jongens voetbalde aan de overkant. Zij
waren zo'n jaar of dertien, veertien. Nog niks met meisjes, alleen die ene
bal die ze allemaal wilden trappen. "Tja," bracht ik uit. "Kun je er
geen eind aan breien?" "Misschien kun jij mij helpen. Tom Wolfe heeft
ook zijn dochters ingeschakeld om hem op het rechte pad te houden bij zijn
laatste roman." "Ik ken Tom Woelf niet." "Dat kan ik mij
voorstellen. Je leest te weinig romans." "Nou, bekijk het maar." We
bespraken de gewone koetjes en kalfjes nog, maar haar buurman begon te
protesteren tegen haar gebabbel en zij hing liever op, zei ze. Ik
weet niet wat ze ophing, want ze had een mobiel. Pas maandag brak mij
het zweet uit over wat zij gezegd had. Had ze gelijk? Wat vertel ik in
feite? Dat ik in 1955 bijna twintig was en nog te blue of te romantisch om
deugdelijk met een meisje te vrijen, terwijl zij al een stadium verder was
en met een man naar bed ging. Waw! Bestaat zulks niet meer? Moet je de
televisie geloven, dan inderdaad niet. Mijn dochter was er ook
vroeg bij geweest, hetgeen mij indertijd, in de tachtiger en negentiger
jaren, normaal heeft geleken, maar ik ken legio jongelui die wel wat
anders aan hun hoofd hadden. Of leken te hebben. En dan nog. Ik ken legio
jongelui van de leeftijd van Fie die niet blue of romantisch, maar
schijterig preuts zijn, iets waarvan ik nooit last heb gehad. In feite
is het zo dat ik zelf niet kan verklaren waarom ik indertijd zo
gereserveerd was. Ik was er kennelijk nog niet aan toe, had echt andere
dingen aan en in mijn hoofd, romantische zowel als problematische. En ik
wist ook eigenlijk niet zeker of ik Inez wel wilde. Soms zag ik aan haar,
aan haar rug of aan haar kleding iets ondefinieerbaars dat mij afstootte
en aan het twijfelen bracht. En nu ik weer tegenover haar zat, bekroop mij
diezelfde weerzin.
maandag 19 mei 2008 Een levend wezen kan zich van alles voornemen - de
stelling is dus beperkt tot de mens - en dan ineens ziek worden en er niet
toe in staat zijn. Dat overkwam mij dinsdag jl. vlak nadat ik de tekst
hieronder had geschreven. Of misschien al eerder, terwijl ik nog aan het
schrijven was. Enfin, ik ben weer opgeknapt.
(Dinsdagavond kon ik van buikpijn
geen enkele niet-pijnlijke houding vinden. Het was of er een drie- à
viertal onweren tussen de lever, de maag, de dikke darm en het middenrif
tegen elkaar tekeer gingen. Het benam mij bijna de adem. Pas na een hele
tijd kreeg ik in ieder geval het ademen weer onder controle en na nog uren
van intense pijn kon ik in slaap vallen. 's Ochtends was het hele gebied
nog pijnlijk. Ik kon ook niet ontlasten, de hele dag niet. Pas donderdag
kwam de eerste keutel. Al die tijd had ik verhoging en was bekaf, terwijl
ik overvloedig zweette. Pas vrijdag was de koorts weg. Gisteren kon ik, in
de namiddag weer naar buiten. Omdat de plek onder de rechterlong bij
drukken pijn deed, dacht ik dat ik wel eens leverkanker zou kunnen hebben.
Om te beginnen ben ik maar meteen gestopt met alcoholgebruik, zodat ik al
bijna een week niets meer heb genomen.)
Jules et Jim... Hoezo? Ik was daar
al op gekomen in september 2007 toen de film weer eens op de televisie
vertoond werd. Ik noteerde toen het volgende: "De film van Truffaut
"Jules et Jim" (1961) is gebaseerd op het gelijknamige boek van
Henri-Pierre Roché (1879-1959), die het
schreef op 74-jarige leeftijd. Wat wilde hij er toen nog mee zeggen? Welke
toon slaat hij erin aan? François Truffaut zelf zegt:
"Henri-Pierre Roche is pas beginnen te schrijven toen hij
bedlegerig werd op zijn 73ste. Hij was vooral een kunstenaar in hart en
nieren. Hij schreef ‘Jules et Jim’ toen hij 73 was. Dat was een
autobiografie. Hij vertelt over zichzelf 50 jaar geleden. Die Flashback
van 50 jaar en zijn talent maken deze roman zo geniaal. Ik heb dit boek
toevallig ontdekt. Ik was meteen verkocht. Dit boek is totaal onopgemerkt
verschenen in 1950 of 1952. Ik heb dit boek gevonden in 1956 in een winkel
met tweedehandsboeken. Ik was meteen weg van de titel. Twee keer een ‘J’.
Dat vond ik erg muzikaal en leuk."
Commentaar: Als Roché het boek heeft geschreven toen hij 73
was, was dat in 1952. (Het kan dan niet al in 1950 verschenen zijn.) Het -
autobiografische - verhaal speelt zich af rond 1900. Het loopt, lees ik op
Internet, vooruit op de sexuele revolutie. Dat doen dan natuurlijk al die
verhalen over Sackville-West, Woolf ("The Hours"), Nicolson ("Portrait of
a marriage"), Carrington ("Carrington"), enz. - die ik al kende en zelf
ook al de eer van "vooruitlopendheid" gunde, - ook. Ik weet niet wat ik
mij moet voorstellen van dit "vooruitlopen", die mensen gingen gewoon vrij
met de liefde om, wat overigens soms tot drama’s met dodelijke afloop
heeft geleid. Die verhalen spelen echter een generatie later, in de 20-er
en 30-er jaren, de echte tijd van de vooruitlopers. De vraag is of Roché
wel een goed historicus was, of hij dit wel al rond 1900 heeft meegemaakt
of dat hij een nogal dramatische versmade liefde heeft omgetoverd tot een
heel progressief relaas. Een geval van autobiografie-vervalsing?"
Ja, zo iets dus, het verhaal van een
72-jarige over een jeugdliefde van een halve eeuw geleden. Een en al
poëzie en/of nostalgie natuurlijk! Toch? Iris Murdoch doet in "The Sea,
The Sea" ook zo'n poging om een man op leeftijd naar een jeugdliefde te
laten terugkeren. En, tjonge, wat loopt dat prozaïsch af. "Jules et Jim"
eindigt niet minder prozaïsch. Conclusie: "The Sea,
The Sea" is een van de beste boeken van Murdoch, "Jules et Jim " een van
de beste films van Truffaut, hun verhalen zijn "leuk", als je ze zelf maar
niet hoeft mee te maken.
Ben ik zuur? Ik geloof het best. Let me rephrase the question, your Honour:
was ons probleem van 1955 reëel? Antwoord: en of. Het was niet reëel omdat
wij speciaal ermee zaten, maar omdat het universeel was. Waar kies je tegen het einde van je puberteit voor?
Ik had bijna geschreven: je kunt niet alles tegelijk, maar
begrijp van jongeren dat dit een achterhaalde, althans problematische
stelling is geworden. Amerikaanse films propageren graag dat "adolescents"
tegelijkertijd zowel militaire training, sexuele vorming en intellectuele,
daaronder begrepen ethische vorming aankunnen. (Is dat een
uitvloeisel van het hooggeroemde Amerikaanse pragmatisme?) Van een ouder
hoorde ik dat zijn dochter van 15 "zelf" zegt dat zij best hoort wat de
leraar zegt terwijl zij met haar buurmeisje een computerspelletje zit te
doen. Onze jeugd groeit multifunctional op. Dat was in onze - uiteraard achterlijke - tijd wel
anders. Het enige dat wij konden was het gymnasium volbrengen waar je
veertien vakken tegelijk moest doen. Had je dan het ongeluk dat je ook nog
door bepaalde dingen gegrepen werd, bij voorbeeld door film, muziek,
literatuur, dan deed je er nog een paar scheppen bovenop, bij voorbeeld,
tot een uur of twee, drie 's nachts lezen in een dikke Dostojewski of in
"Eline Vere". 's Ochtends was je dan al naar de kerk geweest, naar
de vroegmis, en na school ging je nog even zwemmen in zo'n ook al
achterlijke voorziening als de rivier de Maas. Op je fiets zonder
versnellingen ernaar toe! Maar goed, daar ging het niet over.
Waar kies je tegen het einde
van je puberteit voor? In die fase zaten Inez
en ik in de tijd van dit verhaal,
meer dan vijftig jaar geleden. (Ik zie in
het vervolg van mijn aantekening over
"Jules et Jim" hoe het ons toen verging. Even
bewerken.)
dinsdag 13 mei 2008 Ik ben mij natuurlijk na die tweede ontmoeting
gaan afvragen of het zin had door te gaan met het vertellen van dit
verhaal. Ik had er geen seconde aan gedacht dat ik Inez Lopez nog eens tegen
het lijf zou lopen. (Zeker niet tegen het lijf!) Toen ik haar daar de
ingang van "De Tramhalte" zag naderen ben ik haar alleen maar tegemoet gegaan
om te voorkomen dat wij in een uiterst ongemakkelijke toestand zouden
belanden. Natuurlijk zou zij mij hebben zien zitten, maar mij niet hebben
kunnen bereiken omdat Vinkenoog bezig was. En na afloop zou het veel
te lawaaiig zijn geweest om fatsoenlijk te praten. Ik realiseerde mij dat
bliksemsnel en reageerde onmiddellijk. Eigenlijk ben ik dit verhaal
beginnen te vertellen omdat het een soort Jules et Jim-verhaal is. De
schrijver daarvan was ook iets van zeventig toen hij zijn jeugdherinnering ophaalde. En ik had toch
ook zo'n idylle meegemaakt?
maandag 12 mei 2008 De ontmoeting
met Inez vond plaats in begin december. Sindsdien hebben wij elkaar
nog twee keer gesproken, de laatste keer ook alweer een maand geleden,
op de tweede zondag van april, in het "Literair Café De Tramhalte".
Ik was daar naartoe gegaan omdat Simon Vinkenoog kwam, maar ik heb
hem niet gehoord. Wel nog even gezien, maar vlak achter hem, terwijl hij
nog aan het ronde tafeltje bij de ingang zat te praten met Hans Mol en zijn
vrouw Gerda Valery Sxott en ik rondkeek of er nog een kennis aanwezig was,
zag ik Inez aankomen. Het was pauze en ik verliet de lokaliteit om haar op
te vangen voordat zij zou binnenkomen. Ja, zij wist dat ik daar kwam.
Zij had de foto van mij die op mijn weblog prijkt en in "De Tramhalte"
genomen is, gezien. Zij had ook de aankondiging van het program van die
middag gelezen en het plan opgevat om te komen. Wij spraken even met
elkaar op het terras, maar besloten het park in te wandelen en daar een
lege bank te zoeken. De vorige ontmoeting had in januari plaatsgevonden. Ik
had haar, om te voorkomen dat ik het verhaal van mijn leven nog een keer
moest vertellen, terwijl ik het al geschreven had, in december al gewezen
op mijn "Profiel" van mijn weblog "'t Mèlder.blogplot.org " en wat daar verder te vinden was. Daar
kwam zij op terug. Zij was niet veel nieuws te weten gekomen, zei ze,
kende het verhaal in grote lijnen wel. Zij had gehoopt dat ik het zou
kunnen opsieren met interessante details.
Onder de gegeven omstandigheden kon ik
niks bedenken. Normaal ben ik in gezelschappen geneigd de ene anecdote na
de andere te vertellen, maar het leek mij tegen haar zinloos. Zij was
getrouwd met de jongen die haar indertijd ontmaagd had, had drie kinderen
gekregen en was huisvrouw geworden. Juist het repertoire dat zij van mij
verwachtte markeerde het verschil tussen onze levens. Wie had nu eigenlijk
gelijk? Zij maakte niet de indruk ongelukkig te zijn met haar leven.
Zij had dezelfde voortvarende stijl van vroeger, een beetje snaaks en
brutaal, een boogschutter, herinnerde ik mij. En zij had weer die geamuseerde
blik waarvan ik mij ineens realiseerde dat hij eigenlijk meer enthousiast
was. Waarover? Dacht zij dat ik een grootheid was geworden en dat
zij mij op een podium kon zetten en in de zaal kon zitten om zich te amuseren?
Hoorde zij wát ik zei of alleen maar hoe ik het zei of dat het van
een beroemdheid kwam? Kon zij het überhaupt volgen en was het zo weinig,
zo onbenullig wat ik te vertellen had? Had ik mijn leven verknoeid met
mijn ambities en prestaties? Maar zij had toch ook haar kinderen op het
pad van de carrière gezet? Ik opperde dat wij niet in staat waren om
tot een oplossing van de twee gelijken te komen. Zij vond mijn idee bizar.
Natuurlijk had ik er meer van gemaakt dan zij, de huisvrouw. "Ik ben
een grote mislukking," wierp ik tegen. "Wat je voor verdiensten van mij
houdt is waardeloos. Allemaal doorzichtige kaartenhuizen, excuses om niet
te hoeven leven." Er volgde nog een half uur geredekavel
over dit thema, maar zij begreep niet waar ik het over had. Misschien
stortte het kaartenhuis dat zij voor haar kinderen had gebouwd, voor haar
ogen in. Wij gingen een beetje gemelijk uit elkaar, toen die tweede
keer.
zondag 27 april 2008 De reden waarom ik hier
al vijf maanden niets heb geschreven is een
onverwachte gebeurtenis. Ik zal er maar niet te lang omheen draaien: ik heb Inez
weer ontmoet. Het zal toch niemand verbazen dat ik hier even tijd
voor nodig heb. Eerst stuurde zij mij een email. Zij
had "De Rollende Er" gelezen. Wij spraken met elkaar af, zo'n beetje een halve
eeuw nadat wij uit elkaar zijn gegaan. Wat zeg ik, al
meer dan dat. Wat zijn we oud geworden! Ik althans, zij veel
minder. En maar vertellen wat we met ons leven hebben gedaan. "Je had wel gelijk indertijd," zei ze. "Ach, welnee,"
riep ik, "jij had natuurlijk gelijk. Ik begreep er niets van." Het duurde even voor we de hoffelijkheden achter ons
hadden. Waar moest je ook beginnen? Het was sowieso al vreemd hoe wij daar
zaten, allebei getrouwd, aan een tafeltje bij het raam bij de "Bonhomme"
aan de Maas in Maastricht. Zij had weer die verdomde geamuseerde blik die
zij toen ook al had. "Je kijkt nog steeds hetzelfde,"opperde ik. "O
ja, hoe kijk ik dan?" "Wel, je kijkt alsof je me erg graag
mag." "Dat is ook zo." "Maar je bent met iemand anders
getrouwd." Ze lachte vrolijk, keek naar buiten naar een langsvarende
boot en gaf geen antwoord. Goed, dacht ik, dit wordt niks. Iets anders
dan maar. "Ben je gelukkig?" Haar gezicht betrok. Vocht zij met een traan? Of werd zij
kwaad? "Ik weet het, ik heb lang in Amsterdam gewoond waar de mensen je
heel directe vragen stellen. Maar dit is geen verhoor." "Ik hoopte dat
we hier wat later op zouden komen." "O ja, sorry. Hands off dus. Dan
jij maar eerst. Jij bent trouwens degene die dit gesprek wou." "Dat had
je, geloof ik, even vergeten, is 't niet." "Ja, sorry, sorry,
sorry." "Jij schrijft over ons." "Ja? Wil je dat
tegenhouden?" "Ik begrijp nu hoe het indertijd zat." Zij verschoof een beetje op haar stoel en
keek mij aan, even
trouwens maar. Haar blik ging weer naar buiten, naar de rivier die ongeduldig, naar het
mij leek, grote plakken water verplaatste en opnieuw rangschikte. Na een lange
poos: "Jij was een type jongen zoals ik nog nooit ontmoet had. Je was
een idealist. Zo iemand bestond niet voor mij." "Was Racine geen
idealist?" "Met Racine had ik niks. Hij zal wel een idealist zijn
geweest. Ik weet het niet. Nee, jij was de enige die zo was." Dit was
natuurlijk wat ons allebei bezighield, dit uitwisselen van inzichten die
wij indertijd niet hadden. "Wanneer kwam je daar achter?" "O, heel
laat. Pas toen mijn kinderen opgroeiden, toen ik moest beslissen over hun
toekomst, wat ze moesten worden, wat ze wilden worden. Het zijn heel
intelligente kinderen, moet je weten... Dat hebben ze niet van mij, denk
ik... Ik heb veel van ze geleerd." "En nu vind je het idealisme een
mooi ding?" "Misschien wel, misschien niet, daar heb ik het niet over.
Ik leg uit wat ik indertijd niet zag, niet zien kón, omdat ik nog nooit
van idealisme had gehoord. Vijftig jaar geleden dus." Wat moest ik nu
zeggen? Ik had, volgens haar, wel gelijk gehad met mijn idealisme, maar
waar bestond, volgens mij, haar gelijk van destijds uit? En moest ik dat
zeggen? Alles was passé. Het was alsof ik moest praten over een redelijk
goed onderhouden tuin van weleer die nu overwoekerd was door klimop,
onkruid, struikgewas, lagen rottende bladeren of een klein stukje
landschap waar een nu ook al oude nieuwbouwwijk stond. "Je praat er
liever niet over?" "O, jawel, maar ik weet niet waar ik moet beginnen. Nou
ja, wel waar ik moet beginnen, dat is natuurlijk toen, maar ik weet niet
hoe. Jij hebt het blijkbaar op een rij. Ik was zeker wel een idealist,
maar sindsdien is er zoveel gebeurd en ben ik zo vaak veranderd. En
misschien wil ik wel helemaal niet over die geschiedenis van een halve eeuw
lang praten..." "Ik zou haar wel graag van je horen. Ik heb me vaak
afgevraagd wat je allemaal deed en of ik er met je over kon praten. Als
vrienden." Als vrienden! Dus
dát was het. Ik was er wéér ingestonken. Ik was helemaal niks
veranderd! Ik was nog even idealistisch en onnozel als toen. En uit het
feit dat ik mij beledigd voelde kon ik meteen opmaken wat ik verwacht
had.
maandag 26 november 2007
Hoeveel van mijn trouwe lezers hebben gevolg gegeven
aan mijn goede raad om hun eigen liefdesgeschiedenis te gaan zitten
schrijven? Misschien een? Misschien Inez Lopez zelf? Stuur mij jouw
verhaal op, Inez, stuur mij jouw versie, zodat ik eindelijk weet wat er
fout ging en wij ... Halt. Eerst mijn versie, dit is tenslotte mijn eigen
website. Dus, waar ben ik gebleven? Ja, ik ben
inderdaad ver afgedwaald. Mijn laatste mededeling dateert van eind
september. Jongstleden, dat wel. Laat ik even resumeren. De ellende begon
toen ik Inez tegenkwam in de deur van Racine, de kunstschilder. Een
gesprek met Julio onthulde dat zij vaker bij die man was en er zelfs
overnachtte. In plaats van een poging te doen Inez voor mij terug te
winnen - of moest ik haar eigenlijk nog winnen? - ontstak ik in
wraakzucht. Ik nam mij voor Racine kunstkritisch te vermoorden en begon
met mij deswege kunstkritisch te bekwamen. Zeker leidde dat tot heel
hilarische dingen, maar die hadden niets meer met wraak, Inez of Racine te
maken, doch behoorden tot een andere toekomst waarover ik voorlopig wel
genoeg verteld heb. Iedereen weet immers welk een briljante criticus ik
ben geworden. De dagen na die rampzalige verjaardag van mij koelde ik
geleidelijk aan af. Ik haalde mij de geschiedenis van mijn relatie met
Inez voor de geest, niet bepaald gelukking, maar analytisch, om te zien
wat er niet was gebeurd. Waar, op welk moment was dat niet gebeurd? En wat
was het dat niet gebeurd was? Het waar was nog niet zo moeilijk vast te
stellen. Er waren maar drie mogelijkheden. Het was óf op de roeivijver van
het Steinerbos óf op de "Meulewiejer" óf aan de Maas. Sjansen - en bij
succes vrijen - deed je in de open lucht, bij het schaatsen of het
zwemmen. Toen ik dat had vastgesteld herinnerde ik mij meteen twee, drie
onthullende taferelen en gebeurtenissen. Een keer hadden wij geschaatst
op de "Meulewiejer", een vijver of zo van een goede honderd meter lang en
misschien tien breed, onder aan de huidige Molendijk, die wij de
"Bramenberg" noemden,. Ik weet niet meer wie er buiten ons tweeën
was, behalve die Paul B. De schemering viel in en wij werden moe. Toen ik
mijn schaatsen had afgebonden kon ik nauwelijks staan. De bloedsomloop in
mijn voeten was helemaal afgesloten geraakt. Ik bond ook haar schaatsen af
en samen liepen wij in de richting van het dorp, in de richting van de
Kelderstraat. Er lag sneeuw en wij liepen achter elkaar door een strook
waar de sneeuw was platgetreden. Zij droeg een rood manteltje met
capuchon, onderbroken door een wit bontkraagje, hetgeen mij deed denken
aan hermelijn. Het gaf haar een zekere lieftalligheid die mij
ontroerde. Wij stapten onder de straatlantarens van de ene lichtstolp in
de andere en ik zag haar beurtelings licht en donker worden. Ik droeg haar
schaatsen. Ik bedoel, ik had de eer haar schaatsen te mogen dragen. Op
de plaats waar wij naast elkaar konden lopen werden wij ingehaald door
Paul B. Hij beweerde dat hij dezelfde kant uit moest als Inez en nam als
vanzelfsprekend haar schaatsen van mij over. De vlerk. Ik móést
inderdaad de andere kant uit, boven aan de Kelderstraat, maar ik had haar
schaatsen tot in Amsterdam gedragen als zij daarheen had gemoeten.
Weerstand tegen de logika van Paul B. leek mij echter te
pathetisch en ik maakte er geen punt van, opgewekt groetend en naar
de andere kant afzwenkend. Was dat "de plaats waar"? Of was het, in
diezelfde winter, op de roeivijver van het Steinerbos. Ik heb een foto
waar ikzelf met twee vrienden op sta, maar zij niet. Was zij daar toen? Ik
denk het altijd, maar misschien verwar ik de situatie met wat ik had
gelezen in "De mythe van een jeugd" waar Anna, de dochter van de leraar
klassieke talen, aan Rijkert, die in de strikken van een mooie, ja,
prachtige oudere vrouw, Felicia, was gevallen, haar liefde verklaart,
hetgeen zijn redding was en een van de mooiste happy ends opleverde die ik
ooit heb gelezen. Ik héb daar met Inez geschaatst, maar herinner mij geen
concurrentie. (Zij schaatste echt beroerd.) En zeker geen happy end. En
de Maas? Ja, dáár is het niet gebeurd. Ik realiseer mij met enorme weerzin
dat ik wat zich daar afspeelde, dat wil zeggen wat wel en wat
niet, nu onder woorden moet zien te brengen. Men zal begrijpen dat ik even diep adem moet halen.
maandag 12
november 2007 Alweer een maand niks op deze website tot
stand gebracht. Ik heb wel een aantal teksten geschreven,
maar vond ze bij nader inzien niet geschikt en ze liggen nu in de
wachtkamer. Ze gingen over Inez Lopez en mij. Ik realiseer mij dat ik daar nu
eens helderheid over moet verschaffen, maar dat lukt mij juist niet. Ga
zelf maar eens zitten en schrijf de geschiedenis van je eigen verliefdheid,
als je die al hebt gehad. Dan zul je wel merken hoe moeilijk dat is. En
hoe gauw je je belachelijk maakt.
zondag 14 oktober 2007 Vanaf dat ogenblik
werd ik geïnitieerd in de
Limburgse wand- en glasschilderkunst, afdeling Maastricht. Het bleef niet
bij grappen alleen. Vooral Harie Schoonbrood kon nog wel eens alle gekheid
op een stokje gooien. Ik kwam regelmatig op zijn atelier aan het Hendrik
van Veldekeplein, een grote vierkante zolderruimte in een pand van de
familie Duijnstee, in advocaturen. Harie liet mij veel
werk zien waarbij hij uitvoerig commentaar leverde. Hij vond het wel
aardig om mij in te leiden. Ik herinner mij nog goed dat hij veel nadruk legde
op de ernst van de kunst en dat ik moest oppassen met het cynisme waarmee
kunstenaars zelf er vaak over spraken. Als ik de kans kreeg moest ik proberen
ze bij hun werk bezig te zien en het ontstaan van een werk te volgen. Een
verdieping lager zat ik ook nog wel
eens koffie te drinken bij Greet, de vrouw van Harie. En Greet vertelde graag - of niet - hoe zij
Harie een paar honderd gulden had gegeven om in de stad een kostuum te
kopen en hoe hij veertien dagen later dronken thuiskwam, zonder kostuum en
geld. Iets lager aan het Hendrik van Veldekeplein, boven de trap vanaf
het Vrijthof, woonde Sjef Courtens met zijn vrouw Sjaan. Hij noemde mij
altijd "d'n intelueel". Hij wist wel dat ik geen verstand van beeldende
kunst had, maar respecteerde mijn belezenheid. Er kwamen daar nogal eens
wat andere mensen binnen en dan ging het over de vraag of Teilhard de
Chardin interessant was en of de mens werkelijk van de aap afstamde. En of
men, wat dat laatste betrof, de leer van de kerk moest volgen, die, als ik
mij goed herinner, de leer van Teilhard veroordeelde. Toen het zover was,
boetseerde hij een kopje van mijn eerste kind, dat zo gelijkend was dat
zelfs diens oudste kind er sprekend op lijkt. (Dát is nou
kunstenaarsschap: kunst is vooruitzien. Of is dat iets anders?) Ook Schipper had een mooi
atelier, boven de Helpoort. Ik was er altijd welkom. Soms moest ik
nog even naar buiten om een kratje bier te kopen, maar meestal stond er al
een. Schipper kopieerde graag. "Daar leer je het meeste van," was een idee
dat ook Matisse had gehad. Ik herinner mij nog een levensgrote
renaissancistische "Goudweger", ik weet niet meer van wie in originali.
Recht tegenover mij hangt een olieverf van hem, een haventje op Sicilië
uitbeeldende. Ik studeerde vlijtig in de "Balans"
van Viegen en kon vrij snel meepraten. Het bleek allemaal gemakkelijker te
zijn dan ik gevreesd had. Veel deed mij denken aan mijn lessen in
literatuur. Je moest wat vertalen, van de ene wetenschap in de andere,
maar de grondideeën en probleemstellingen leken sprekend op elkaar. Zowel
de literatuur als de beeldende kunst waren bij voorbeeld op het einde van
de 19e eeuw "modern" geworden en allebei impressionistisch en
anti-realistisch. Limburg had toen zijn impressionisten gekregen, Henri
Jonas bij voorbeeld, van wie nog een ook schilderende neef in mijn
gezichtsveld kwam, een keer, toen we met de hele bunch bij "De Reserve" of
bij de "Spaangeköning" in Vroenhoven zaten en de naad van zijn broek een
eind los raakte en hij hem maar helemaal open tornde zodat hij met slobben
als een cowboy en witte blote benen liep, en toen Pieke Dassen van de wc
kwam met drie rollen klosetpapier om zich heen, vermomd als mummie, en wij
later, maar vroeg in de ochtend, met de Opel Kapitän van Wielie Schillings
de trap naar het Veldekeplein probeerden op te rijden. "Zonder uit te
stappen, mijnheer." En, inderdaad, ik heb lange
tijd gedacht dat kunst hetzelfde was als bohème.
zaterdag 13 oktober 2007 Het eerste dat wij aan mijn opleiding deden was naar
De Vogel Struys gaan. Daar immers zaten de Grote Kunstenaars van
Maastricht. We bleken echter niet een afspraak te hebben met een
kunstenaar, maar met de kunstsocioloog Jos Viegen die net zijn

had voltooid. Ik was toen nog te
stom om te weten wat "wand- en glasschilderkunst" was, vrees ik. Het
inkijkende zag ik reproducties van schilderijen en glas-in-loodwerk of
gebrandschilderde ramen. O, dat was het dus. Mijn eerste les zat er al op
voordat ons eerste biertje op was. Ik ga nu niet
alle onbenul dat ik op dit gebied had en ten toon spreidde ook uit de
doeken doen, ik heb het al erg genoeg gemaakt. Ik zal het kort houden. Viegen was - toen - een lange, magere of slanke of
benige glad geschoren man van ergens in de veertig, die mij sterk aan de
hoofdonderwijzer van mijn lagere school deed denken, ook toen hij begon te
praten. Hij was gekleed in een grijs driedelig kostuum, zoals mijn vader
ook altijd droeg, met eronder een wit hemd en een groen-zwart gestreepte
kravat. Bij binnenkomst nam hij zijn hoed af. De Romanschrijver, die
allerminst conventioneel gekleed was en een dikke baard had, begroette hem
als een vriend, maar ik merkte toch dat zijn blik enigszins ironisch over
de kleding van Viegen ging. "Hoe gaat het,
referendaris?" Viegen monkelde besmuikt en nam
zuchtend plaats. "Ook een dichter moet de kost
verdienen," zei hij kwasi lakoniek. De heren
spraken voornamelijk met elkáár, maar ik kon niet alles volgen wat ze
zeiden. Het ging, naar het mij leek, over financiële kwesties, over
vaste aanstellingen en vrij kunstenaarsschap, over subsidies voor de
kunst, over mensen die die laatste kregen en anderen die ze niet kregen,
over prijzen, over opdrachten van de gemeente, kortom, allemaal dingen
waar kunstcritici over spreken . Ik werd aan
Viegen voorgesteld als de redacteur van "De Urbode" die wat informatie
wilde over kunstkritiek. "Lees mijn boek maar,"
zei Viegen geruststellend en patriarchaal. Hij
schoof mij een exemplaar toe en schreef erin: "hartelijk aan vriend
(mijn naam) ter gelegenheid van het begin van zijn studie in de
kunstgeschiedenis Jos Viegen". Ik vond die opdracht niet prettig, maar het
stond er al en ik voelde dat ik blij verrast moest kijken. Het kon mij
trouwens ook niet schelen, ik wilde eigenlijk zo snel mogelijk in het boek
beginnen. Een blik in de inhoudsopgave maakte mij duidelijk dat ik hier de
lijst van personen die Racine hadden kunnen beïnvloed, voor mij had.
(Het is een van die praktische dingen die je als zoon van een
documentalist kunt hebben, dat je nodige informatie in een oogopslag
ziet.) Viegen moest al snel weg, maar de
Romanschrijver en ik bleven nog even zitten. Ik kon niet goed van mijn
nieuwe boek afblijven, maar na enige tijd kwam er een bevriende kunstenaar
binnen, Harie Schoonbrood. Dát kwam nog eens goed uit. Ik stond op het
punt om hem te vertellen wat mij een paar dagen eerder was overkomen, maar
bedacht mij op tijd en vroeg toen ik werd voorgesteld: "Van dat mozaiek in Geleen?" Hij draaide het boek van Viegen naar zich toe en
sloeg de bladzijde op waar de afbeelding ervan stond. "Ja, ja," zei ik royaal, "ik ken het heel goed. Toen
ik nog op het gym in Sittard zat, kwam ik er elke dag langs." Hij begon uit te leggen hoe hij aan de opdracht was
gekomen en welk idee hij had willen uitbeelden. Ik luisterde gretig. Die
Racine zou mij niet meer klein krijgen. Geleidelijk aan belandde ik in het paradijs. Na een
kwartier kwam Sjef Schipper binnen, ook al een kunstschilder. Het begon nu
sterke verhalen te regenen, zeker toen ook de beeldhouwer Sjef Courtens
zich erbij voegde. Bier werd automatisch gebracht als een van ons
zijn glas leeg had. Na een uur of zo merkte ik op dat
ik nogal verbaasd was over de gespreksonderwerpen. Zij spraken niet over kunst.
Men keek de Romanschrijver aan, erop aan, had ik bijna geschreven. "Mijn vriend hier wil kunstcriticus worden. Hij is
journalist, maar weet niet veel van beeldende kunst." Zij knikten ernstig. "We
kunnen
wel wat vertellen," zei Schipper, "dingen die je van critici over
kunstenaars niet zo vaak hoort. Is dat niks om een artikel van te
maken?" Hier komt mijn primeur, dacht ik. "Ja," zei Schoonbrood, "van toen we nog in Amsterdam
waren." "O, ja, van bij Reinders en Eijlders. Waar
ze allemaal bij elkaar zaten, voor de middag al drie keer lazarus." "En geen cent te makken." "Nee, je betaalde met werk." "Wij waren de Limburgse Amsterdammers, weet je
nog?" "Waren wij dat?" Ik
weet niet meer wie wat zei, maar wel dat ik in de maling werd genomen.
vrijdag
12 oktober 2007 Het gesprek met de
Romanschrijver - of de ouwe klare - was heel heilzaam geweest. Ik had 's anderendaags een enorme kater en was tot
niets in staat, zelfs niet tot rancune en kwaadheid op Racine. Ik pakte
mijn fiets en ging naar de Maas aan de Dikke Eik. Het was na de middag,
maar er was niemand. Ik installeerde mij op de rand van de oever, die
terplaatse een meter of twee, drie hoog was en stijl omlaagviel.
Oeverzwaluwen zwermden krijsend om mij heen. Die zouden wel tot rust komen
als ik er een poosje lag. Het was heet. Het gras
stond nog hoog, moest bijna gemaaid worden voor hooi. Een paar vliegen
zoemden rond, een hommel probeerde kwaad gonzend in een bloem te
kruipen. Vlak naast mij stond zuring waarvan ik wat at. Mijn hoofd bonsde
van de kater. Toen ik wakker werd was alles nog
hetzelfde, alleen de schaduwen waren wat langer. De Maas schoof hetzelfde
water langs de Belgische oever, onder de populieren. "Niets is er groener
dan de Maas..." Ik was rood verbrand en zwom een
paar slagen. Nu was ik weer bij. Ik had echter allerminst zin om mij met
de problemen van de laatste dagen in te laten. Alles stond ver van mij af.
Mijn lichaam ademde heel rustig en ik begon het op te merken. In de verte was iemand aan het ploegen. Van tijd tot
tijd hoorde je hem zijn paard kalmerend toespreken. "Hola Lieske, neet so flot." Enig gerommel was ook hoorbaar. Was het mijn maag?
Het was onweer. In het Zuiden tekenden zich dikke wolken af, nog heel ver
weg. Ik viel opnieuw in slaap. Het regende al toen
ik weer wakker werd. Onder de Dikke Eik wachtte ik het einde van de
bui af. Het was nu toch tijd om naar huis te gaan. 's Avonds herinnerde ik mij de stapel boeken op de
tafel van de Romanschrijver. "Morgen fiets ik er
even heen," dacht ik. "Ik ga nu naar bed. Een hele dag naar de kloten!"
De Romanschrijver bleek nog
verder te hebben nagedacht over mijn probleem. "Aan Inez kan ik niks doen," begon hij gedecideerd,
"ik kan wel een kunstcriticus van je maken." Ja,
daar zeg je wat, ik moest ook nog kunstcriticus worden.
donderdag 11 oktober 2007 Na verloop van tijd begreep ik dat er maar een was om
mee over mijn probleem te praten: de Romanschrijver. Ik had mij al eerder
gerealiseerd dat wat wij vaak deden literatuurkritiek was. Niet dat wij
voortdurend boeken afkraakten, wij bespraken er vele, soms het mooie, soms
het verkeerde ervan vaststellende. Dat was tegelijkertijd een vorm van
kunstkritiek, want literatuur was woordkunst. In die tijd verscheen de
eerste druk van de befaamde Lodewick, die zelfs letterlijk sprak van
"literaire kunst". Ineens had ik de diepzinnigheid om daarvan de wijdere
betekenis te begrijpen. Ik legde hem mijn probleem
voor. Het was pas een paar dagen na die tumultueuze dag waarop ik in enen:
een interview verknalde, te kakken werd gezet door een kunstschilder en
ook nog eens mijn aangebeden Inez verloor. Ik was er nog lang niet
overheen of er zelfs maar aan toe om er fatsoenlijk over na te denken. Ik
gooide dus alles door elkaar en slaagde er niet in duidelijk te worden. "Je wil dus kunstcriticus worden omdat je Inez
kwijt bent?" vroeg hij nadat ik al een kwartier lang geraaskald had. Ik besefte zelf dat mijn verhaal, zo gesteld,
volstrekt mallotig was. "Ik denk dat je je moet
realiseren dat er meer jongens in de wereld zijn dan jij." "Wat?" "Een jonge vrouw als
Inez, ik ken haar niet, maar jij zegt dat ze heel mooi is en ik geloof je
graag, een jonge vrouw als Inez heeft talloze aanbidders. Waarom zou ze
jou kiezen? Wat heb je voor op die anderen?" "Nou
zeg..." "Wacht even. Ik wil je niet beledigen. Ik
stel alleen maar een vraag die jij je zelf zou moeten stellen. Je gaat er
maar vanuit dat het meisje waarop jij verliefd bent, vanzelfsprekend ook
verliefd moet zijn op jou. Hoezo? Waarom? Heb je een recht op haar?" O ja, ik begreep het al, de objectiviteit. De
bedoeling was dat ik van op een afstand naar mijzelf zou gaan staan
kijken. Maar daar had ik nu eens even niets mee te maken. Mijn gevoel zat
in mijn buik, het maakte mij misselijk, het verlamde mij. Ik kon het niet
even uitkakken en ervan af zijn. Ik wilde dat in feite ook niet. Dit
gevoel was het bewijs van mijn liefde, dat stond ik niet af, ook niet aan
de alwijze Romanschrijver. Ik zweeg. Ik kon hem
echter ook niet aankijken. Hij daarentegen observeerde mij, dat voelde ik.
Een snelle blik op zijn ogen liet geen medelijden of sympathie zien, enkel
ironie, misschien wel leedvermaak. Niettegenstaande een opkomende
kwaadheid begreep ik wel iets van wat ik dacht: was dat gevoel werkelijk
een bewijs van mijn liefde? Waarom moest dat bewezen worden? Het antwoord
op die vraag kwam prompt: die hele liefde was nooit echt tot mij
doorgedrongen. Ik was er wel altijd vanuit gegaan, maar met zoveel
vanzelfsprekendheid als dat er water door de Maas stroomde. Was het niet
zo dat ik al die tijd alleen maar in afwachting van de liefde was geweest?
Het was met haar als met een ideaal, men heeft het maar men heeft het nog
niet gerealiseerd. In feite had ik Inez alleen nog maar uitgekozen, als
het ware gereserveerd ... voor later, voor als ik eraan toe zou zijn. Wat
ik dus nog niet was. De Romanschrijver zag mij
denken. Hij wist precies wat er gebeurde. Hij kende mij en het leven. "Je krijgt Inez niet terug door kunstkritiek,
hoor." Mijn geniale idee viel om. Ik had
neiging om in een hoekje te kruipen en wat te huilen, maar de
Romanschrijver zette een fles ouwe klare en twee glaasjes op tafel. Ik was
nog wel treurig, maar moest erkennen dat dit de juiste zet was. Na vijf
glaasjes, op het moment dat de meeste mensen de onderscheiden niet meer
zien, waren wij het erover eens dat de ervaring met Racine vroeg om
kunstkritiek, die met Inez nog maar eens aangezien moest worden tot
mijn aanstaande verjaardag. Met die kunstkritiek
kwamen wij op dat moment begrijpelijkerwijs niet erg ver. Mijn maat
orakelde tot diep in de nacht over de moderne kunst en over Herbert Read,
de beste schrijver daarover. Hij rommelde in zijn boekenkast, legde een
stapeltje boeken op tafel waarbij hij zijn glaasje omstootte, zodat de
ouwe klare op de stofomslag van een ervan een mooie vlek maakte en begon
mij te vertellen wat erin stond. "Kies maar uit.
Ik ken ze van buiten." Toen ik thuis kwam
realiseerde ik mij dat ik vergeten had er een mee te nemen.
zaterdag 29 september 2007 Met die Racine was ik echter nog niet klaar.
(Met Inez, naar later bleek, ook niet.) Hem de grond in schrijven was
gemakkelijk bedacht, maar hoe moest dat? Ik was ondanks mijn kater nog wel
degelijk vastberaden, maar realiseerde mij ook dat ik "De Urbode" niet kon
gebruiken als een roddelblaadje waarin ik mijn privé-ruzies kon
uitvechten. Dus, wat nu? Over zijn persoonlijke
leven wist ik te weinig om er iets van te maken. Ik kon hem wel gaan
volgen, maar dat leek mij te omslachtig. God weet hoe lang ik moest
wachten tot er iets vermeldenswaardigs gebeurde. En wat kon dat zijn? Dat
hij een vriendin had? Een die zoveel jaar jonger was dan hijzelf? Dat hij
haar mij had afgepikt? Zulks was allemaal niks om over in mijn blad te
schrijven. Het enige dat ik kon bedenken was dat
hij misschien plagiaat had gepleegd. Dat zou hem in zijn kunstenaarsrol
schaden, zijn toekomst als kunstenaar naar de haaien helpen. Ik zag onmiddellijk in dat dit het was. Niets van
zijn persoonlijke leven wetende, kon ik hem pakken in zijn openbare
optreden. En de manier om dat te doen was het reeds genoemde "de grond in
schrijven". Als schrijver wist ik dat. Je moest als debutant al met iets
fantastisch voor de dag komen, wilde je niet de grond in worden
geschreven. Ik had het vaak genoeg gehoord, want ik dacht ooit als
schrijver voor het voetlicht te treden en, zoals het heet, "de aandacht te
trekken". Racine was al een bekende schilder, maar plagiaat zou hem alsnog
zijn nek breken. Ik besprak dit met mijn
vriend Nee Op de Kamp, die altijd wel in was voor dit soort
akkefietjes. De conversatie liep niet helemaal zoals ik verwachtte, maar
tenslotte kwamen wij eruit. "Racine
kapotschrijven? Zoals in een krant?" "Die héb ik
toch." "De Urbode"? "Natuurlijk." Hij streek met
zijn duim over zijn lippen, niet zo bedacht- en langzaam als Jean-Paul
Belmondo in "À bout de souffle" doet, maar snel heen en weer, gevolgd door
een tikken met zijn middelvinger op zijn neus. Hij zag het niet zitten,
dacht ik. "Zou kunnen, maar hoe kom je achter
plagiaat?" Misschien had ik wel gemeend dat iedere
kunstenaar naäapt en dat je maar hoefde te zoeken om de doodzonde te
vinden. Misschien betichtte ik Racine er al effectief van. Het zou echter
op hetzelfde neerkomen als het volgen, het zou teveel tijd in beslag
nemen. "Je moet zijn werk afbreken," opperde Nee.
"Je moet laten zien dat hij er niets van terecht brengt, dat de mensen hem
op de verkeerde manier voor een echte en goede kunstenaar aanzien. Dat
lijkt mij het enige dat erop zit." Ik zag ook geen
andere mogelijkheid en Nee, eenmaal op een goede gedachte gekomen, begon
die al meteen verder uit te spinnen. "Is zijn werk
goed? Is het niet aan te vallen?" "Ken jij iets
van hem?" "Ik niet, jij?" "Neu. Hij heeft mij niets laten zien. Ik weet ook
niet waar het te zien is." "Dat is dus ook een
doodlopend steegje. Als het zo is, dan kan ik je niet helpen. Trouwens,
had jij wat met Inez Lopez? " Die vraag had ik
willen vermijden. Nee en ik spraken zelden over meisjes. Wij hadden daar
diametraal tegenover elkaar staande opvattingen over. Hij vertelde soms
vol trots dat hij het bij zijn ouders inwonende dienstmeisje in bed kon
krijgen, ik vond dat allemaal veel te prozaïsch en platvloers. Ik was
hoofs, iets waar hij geen verstand van had. Ik liet mijn - gebrek aan -
ervaringen met meisjes in onze gesprekken altijd in het midden. Ik stond
op het punt de vraag met "ja" te beantwoorden, maar zag in dat hij niet
zou begrijpen dat ik een troebadoersverhouding had, voor zover dat een
verhouding genoemd mag worden. "Ik heb een oogje
op haar," mompelde ik, chagrijnig over het gebrek aan eerbied voor mijn
eigen gevoel dat in die formulering tot uitdrukking kwam. Wat had ik
echter moeten zeggen? "Ik schrijf sonnetten voor haar?" "Ik ben een
dolende ridder voor haar?" Misschien "ik ga voor haar naar het heilige
land?" Hij wist niet eens wat een sonnet was. Mijn antwoord was echter
afdoende voor hem. Peinzend zei hij: "Je moet
achter dat werk kunnen komen. Dat moet ergens te zien zijn. Je kent toch
wel iemand die iets van kunst weet en die je kan zeggen waar je het moet
zoeken." De woorden "iemand die iets van kunst
weet" bleven in mijn geest hangen alsof zij op een daad van mij wachtten.
En ineens wist ik het. Dat wil zeggen, ik wist ineens een heleboel. Ik zag
de kunstpagina in de krant voor mij, las in gedachten de naam van de
kunstcriticus, en besefte dat ik Racine moest treffen met kunstkritiek. En
dat ik mij daar nog nooit in had verdiept, ja, dat de term alleen al
een gigantisch gebouw voor mij deed opdoemen waar ik nog nooit in was
geweest. Kunstkritiek, dat was het. En het was niet zomaar een middel om
wraak te nemen op Racine, maar het middel bij uitstek, het middel dat
precies bij mij paste. Dit was natuurlijk weer zo'n ridderlijke gedachte
waar ik vol mee zat: je moest elkaar met gelijke middelen bestrijden. En
in dit geval betekende dat critiek tegen kunst. Ik stelde vast dat er op
de een of andere manier iets geniaals school in wat ik hier voor mij
zag. Ik was alleen geen kunstcriticus.
donderdag 27 september
2007 's Avonds zat ik bij Julio. Inez was
niet thuis. Zij was vaak niet thuis, begon ik mij te realiseren. We schaakten een partijtje en dronken een glas van
die Spaanse cognac waar Julio, waarschijnlijk om patriottische redenen,
verzot op was en die ook een voortreffelijke Brandy de Jerez was, maar die
ik verafschuwde, omdat hij voor mijn smaak naar petroleum rook. Wist ik
destijds veel. Ik verloor twee partijen die ik wel
lang wist te rekken. Ik wachtte op de thuiskomst van Inez. Om elf uur was
zij er nog niet. "Wat blijft Inez laat," opperde
ik achteloos, terwijl ik Julio schaak zette. Hij
antwoordde niet, nadenkende over zijn volgende zet. Alleen al daardoor
wilde ik weten wat er gaande was. Julio sloeg met zijn koning een loper
waar ik niet op gelet had, en zette mij schaak. Nu was hij op zijn
gemak. "De laatste tijd komt zij vaker 's nachts
niet thuis," zei hij, de blik op het bord gericht om te zien of hij
zichzelf niet in gevaar had gebracht. "Schaak,"
zei hij voldaan. "Mat, zo te zien." Hij kieperde
mijn koning om. Het kon mij niet schelen. Hij keek mij aan. "Nog een partijtje?" "Hoezo
komt zij soms niet thuis?" "Hoezo? Gewoon zo. Zij
blijft dan bij haar vriend. Ze is 18, hoor." Wat
had ik gedacht? Dat Inez op mij wachtte? Jeezes, wat een onnozel idee. Had
ik dat werkelijk gedacht? En ik maar gedichten reciteren. Wanneer had ik
dan voor de draad willen komen? Voor de draad? Wat bedoelde ik daarmee? "Nog een partijtje?" drong Julio aan. Die vriend was natuurlijk Racine waar ik haar die
middag had gezien. Racine! Die arrogante zak die mij net nog te kakken had
gezet! Die Racine! Die man was zeven jaar ouder dan Inez. Een pedofiel.
Niet een kunstenaar, maar een pedofiel was hij. Godverdomme. Ik zou die
krijgen. Ik zou hem de grond in schrijven. "Racine?" vroeg ik voor alle zekerheid. "Ja, die schilder." Julio zag
geen aanleiding om te denken dat ik ergens mee zat. Hij reikte naar de
fles en wilde nog een keer inschenken. "Ik niet.
Ik niet meer. Ik ga." "Het is nog vroeg." "Nee, nee, ik moet weg. Ik moet nog wat doen." Julio schonk zichzelf in, bedachtzaam, blijkbaar
voelende dat mijn stemming was veranderd. Hij zag dat ik niet
verroerde. "Toch maar?" Ik
was niet in staat te antwoorden en hij schonk mij in. "Inez?" "Godverdomme.
Godverdomme. Ja, sorry hoor. Ik kwam haar vanmiddag tegen bij die
klootzak. Ik had geen idee. Ik was ondersteboven van iets anders, van mijn
eigen onnozelheid, denk ik. Niet te geloven! Blind ben ik, stekeblind.
Sorry hoor, ik moet weg. Ik moet echt weg. Ik zie je morgen wel." Hij knikte bedachtzaam en liet mij zonder een woord
uit. Ik had geen moeite te bedenken wat ik moest doen. Naar Maastricht
natuurlijk, naar die schoft en kinderverleider. Het was tegen half twaalf,
maar dat interesseerde mij niet. Ik stapte op en fietste aan een stuk door
op het hoogste tempo langs het kanaal. Binnen het uur stond ik voor de
deur. Alles was donker. Misschien op zijn atelier? Daarheen. Alles donker.
Ik had daar geen bed gezien en het had dus geen zin om aan te kloppen of
wat je dan ook moest doen om iemand aan de deur te krijgen. Terug naar
zijn huis, een flat in Malpertuis. Ik belde aan. Er ging geen licht aan,
maar ik hoorde geluid binnen. Aan de galerij was de keuken. Iemand bewoog
daar, iemand die mij natuurlijk zag. Ik trommelde op het raam. Iemand
morrelde aan de voordeur, schoof een slotje weg, opende de deur op een
kier. "Wat is er?" Een mij
onbekende vrouwenstem. "Is Kris thuis?" Ik had geen zin in pseudoniemen. "Nee." "Flauwe kul." Ik duwde de deur open en stapte naar binnen. "Waar is de slaapkamer?" Zij
deed het licht aan. Een vrouw die mijn moeder kon zijn keek mij bedeesd
aan. Zij zag wel dat ik kwaad was, maar wist kennelijk nergens van. "Waar is Kris?" "Ik weet het
niet. Hij is met zijn vriendin uit." "Zo laat
nog?" Zij keek hulpeloos, had er niks mee te
maken. Wat deed zij daar? Wie was zij? Ik wierp alle deuren een voor een
open, maar zag niemand. In de masterbedroom aan het balkon aan de voorkant
stond een opgemaakt tweepersoonsbed, in nog een kamer het bed van de
onbekende vrouw. Wie was zij, verdomme? En wat had ik daarmee te maken? "Wie bent u?" Het was net of
zij mijn taal niet verstond. Het had ook geen zin om iets uit haar
proberen te krijgen. Ik stamelde iets van "neem mij niet kwalijk" en
maakte dat ik de deur uitkwam. Ik liet mij de Brusselsestraat afzakken en
ging naar "De Vogel Struys". Inmiddels was het tegen enen en men ging
sluiten. Ook dat nog. In ieder geval geen Racine en geen Inez. Ik zakte
wat in, mijn woede ging over. Dan maar naar huis? Aan het kanaal gekomen bleek ik flinke tegenwind te
hebben. Ik was bekaf en kwam bijna niet vooruit. Tenslotte ben ik bij
Geulle afgestapt en in het gras gaan liggen, vlak naast het jaagpad. Na
een poos werd ik wakker geschud door een man die dacht dat ik lag te
bevriezen en mij adviseerde door te fietsen, dronken of niet. Diep in de
nacht kwam ik thuis en legde mij op mijn divan. 's
Anderendaags besloot ik net te doen alsof er niets aan de hand was. Ik was
over een goede week jarig en vatte het plan op iets met Inez te
ondernemen, iets waarmee ik haar kon verrassen. Ik - of zij - zou nog wel
eens zien. |
Links:
Afrodisiaka (over de geschiedenis van de roman)
Ancient
Narrative
Asian Times
online
Boekbespreking (weblog van Ton Lenssen)
Boekhandel
"De Tribune"
China
bloglist
China
Hearsay
China
Herald
China IWOM
Blog
China
lawblog
Chinaview (Xinhua)
Counterpunch
Danwei
De Losbladige Laurier (website van Ton Lenssen)
Waarom zegt hij
niks? Eurasia
Foreign
Policy in Focus
Frankfurter
Allgemeine
Global
Issues
Global
Research
Global
Voices
Gunder
Frank
India
Times
International Herald Tribune
International relations
Le
monde
Le monde
diplomatique
Letter from
China
Mother Jones
Magazine
New
Statesman
Newsweek
Notable
Names Data Base
Power
and Interest
Radio Free
Asia
Róbinson verder Rojas
Databank
Stein in foto's
The
Economist
The
Guardian
The
Independent
The New York
Times
The Times of
London
The
Washington Post
Archief van "De Rollende Er"
|