Het humanisme in de Renaissance(1)

Van trivium tot humanisme


door Ton Lenssen

Inleiding
Het humanisme kan worden gedefinieerd als een levensbeschouwing, namelijk het opkomen voor menselijkheid of "humanitas". Zijn belangrijkste karakteristiek is dan zijn seculariteit waardoor het staat tegenover het confessionalisme met zijn zg. geestelijke achtergrond. Dit humanisme is waarschijnlijk bedoeld in de preambule van de grondwet van Europa waar het gaat over "humanistische traditie". (Ik zal aan het begrip daarvan hier geen bijdrage leveren.)(2)
Men kan het humanisme in de tweede plaats opvatten als een literaire en/of filologische beweging. Ik zal het hebben over deze tweede vorm. Deze beweging komt voort uit de "studia humanitatis", letterlijk "de beoefeningen van de menselijkheid", maar onder menselijkheid werd door de humanisten het typisch menselijke verstaan en dat was de taal. Door de taal onderscheidde de mens zich enerzijds van de dieren en de rest van de natuur en door het ontwikkelde taalgebruik, de "eloquentia", onderscheidde anderzijds de humanist zich van de barbaar, die werd opgevat als een niet-mens of onmens.
Dit humanisme is ontstaan in Italië, in de 13e eeuw. Het einde dateert men vaak rond 1600, maar bij voorbeeld in Nederland bloeide het humanisme nog volop in de 17e eeuw. Deze humanisten zijn vaak in de eerste plaats bekend om hun ontdekkingen van oude, Griekse en Latijnse boeken, die zij vervolgens uitgegeven hebben. Sommigen, zoals Petrarca en Boccaccio, zijn ook bekend om hun eigen geschriften, meestal bestaande in boeken of brieven. Deze humanisten maakten deel uit van de Renaissance(3) en zij deden het hunne om de antieke cultuur opnieuw tot leven te brengen.(4)

1. Het land: Italië
a. De ontwikkeling van het Italiaanse humanisme vond hoofdzakelijk plaats in het Noorden, nl. in Lombardije, de Veneto en Toscane, en in het midden, in de pauselijke staat (van Rome tot en met Ravenna).
b. Geografie van Italië: de eeuwenoude driedeling in Noord, midden en Zuid.
c. Tijdens de Middeleeuwen verkeerde Italië in een bijzondere positie ten opzichte van de rest van Europa. Karakteristiek was het machtsvacuum daar ten gevolge van de ernstige verzwakking van het keizerschap na de dood van Frederik II, de uitarticulering van stadstaten, de pauselijke staat en het koninkrijk Napels en Sicilië en de logischerwijs(5) daardoor getrokken "belangstelling" van de andere mogendheden voor het schiereiland. Tot halverwege de 13e eeuw werd Italië geregeerd door de keizer en de paus, zodat er van autonoom bestuur weinig terechtkwam. Daarna was er een tijd lang autonoom bestuur maar niet van Italië "als geheel", maar per machtsgebied, dus per stadstaat, kerkelijke staat, koninkrijk. Elk van deze gebieden, die men onafhankelijke landen kan noemen, was te klein om de grote mogendheden, zoals Frankrijk of het Habsburgse rijk, te kunnen weerstaan en dus vatbaar voor "overname".
d. De talen: tot Dante was er geen Italiaanse taal, maar waren er alleen maar regionale talen.(6) Het is door het werk van Dante dat het Toscaans de nationale taal van Italië is geworden.
e. Italië was veel meer stedelijk (republieken)(7) dan de rest van Europa die agrarisch en feodaal was.(8) Dit bracht een heel andere mentaliteit mee dan in "de rest van Europa". Daar was men meer filosofisch en theologisch ingesteld, in Italië "communicatief", urbaan, in de betekenis van beschaafd, wellevend, civiel, in concreto: meer beheerst door recht (de "scientia civilis") en economie, de grammatica en de retorica (welsprekendheid) die de voor de omgang nodige taalvaardigheid behandelden.

2. De tijd
a. De ontwikkeling van het Italiaanse humanisme vond plaats tussen 1250 en 1600, met de nadruk op de 13e, 14e en 15e eeuw, het Duecento, Trecento en Quattrocento. Het Italiaanse humanisme verloor zijn overheersende positie al in de 16e eeuw, toen het initiatief werd overgenomen door Nederland, Frankrijk, Engeland en Duitsland.
De perioden van de Italiaanse geschiedenis:
1. overleving van resten van het Romeinse Rijk en de Romeinse tijd: tot de 12e eeuw;
2. de "comunes": de 12e eeuw;
3. de heerlijkheden ("podestà");
4. de tijd van de vorstendommen: waarin verscheidene heersers een monarchale status kregen.(9) Italië was niet alleen stedelijk (urbaan), maar ook republikeins en commercialistisch. De economische opbloei van Europa na 1000 begon in Italië, dat handelsrelaties had met het Oosten en goed verdiende aan de Kruistochten.
b. De feodale mentaliteit was "hoofs" en relatief gemakkelijk te combineren met het christendom.(10) Vandaar filosofie en theologie in Parijs, rechten en "ars dictaminis" in Bologna, de eerste universiteiten.

3. De Italianen
De Italianen verschilden in zoverre van de andere Europeanen dat zij veel meer leefden in de traditie van het Romeinse rijk, die stedelijk was. Verder hadden de Italianen veel contact met de Moslims in het Zuiden en met Constantinopel. Vanouds was het Noorden een doorgangsroute van het Westen naar het Oosten. Italië was dus permanent onderhevig aan vreemde invloeden of die nu van de moslims of de latijnen, zoals de Byzantijnen werden genoemd, kwamen of van de "Franken" die de "via francigena" gebruikten. Dit maakte dat de Italianen relatief meer open stonden voor andere zienswijzen en gedragspatronen. Typisch voor Italië was dat de intelligentsia er, in tegenstelling tot de rest van Europa waar zij bestond uit geestelijken, grotendeels gevormd werd door leken. In de tweede helft van de 11e eeuw, toen in Parijs de scholastieke filosofie en theologie tot ontwikkeling kwamen, begon men (Irnerius) in Bologna met de bestudering van de zg. Digesten of Pandecten, een verzameling in 50 boeken van uittreksels uit geschriften van Romeinse juristen uit de tijd van Justinianus (6e eeuw). Handel en nijverheid vroegen hier uiteraard ook om toepasbare wetenschap, zoals handelskennis en -recht. Zie verder Esseejtje 2 hieronder.

4. De Renaissance(11)
Men moet onderscheid maken tussen Renaissance in ruime zin en Renaissance in enge zin.
a. R. in ruime zin: de historische periode tussen de zg. Middeleeuwen en de 18e eeuw;
b. R. in enge zin: de wedergeboorte van de antieke (beeldende) kunst (architectuur, schilderkunst en beeldhouwkunst) en literatuur.
Ik ga niet over a. en van b. niet over de beeldende kunsten. Dus over de literatuur.
Renaissance: heropleving van de antieken, eerst door
Imiteren = nabootsen, kopiëren!!! Er komt altijd iets van interpretatie bij. Het vraagstuk van de invloed.
Soorten van imitatie (volgens Witt):(12)
a. imitatie van genre (bv. lyrische poëzie, pastorale poëzie, brieven, epen);
b. imitatie van techniek (bv. de homerische vergelijking, andere stijlfiguren); beide ook gebruikt door middeleeuwse schrijvers die echter niet klassicistisch werkten; de humanistische imitatie berustte in hoofdzaak op de volgende twee soorten
c. imitatie van stijl:
- sacramentele (met letterlijke citaten die de oorspronkelijke tekst als geheiligd eerbiedigen),
- reproductieve of exploitatieve ("employing a variety of ancient sources in the form of echos, images, or phrases") en
- heuristische (waarin de schrijver een wederzijdse relatie tot stand brengt tussen zijn compositie en een andere tekst (de subtekst) die bij de lezer of toehoorder bekend wordt verondersteld; (vgl. het gebruik van b.v. renaissancistisch schilderwerk in de post-modernistische kunst?);
d. "generische" of algemene imitatie (klassiciseren - in humanistische zin - : berustte hoofdzakelijk op ritme of metrum, woordkeus, syntaxis, gedisciplineerd gebruik van stijlfiguren, en in het geval van proza op zinsconstructie).
De laatste vorm van imitatie leverde op wat Poggio Bracciolini "vetustas" noemde oftewel de echte "geur van antiquiteit".

5. De termen en een eerste definitie
Zie boven. Het woord "literatuur" (in 4) is eigenlijk niet goed, beter is "het humanisme", hoewel dat in hoofdzaak een "literaire beweging" is. Het woord "humanisme" is echter ook niet echt goed. Het gaat om een bepaalde techniek of technologie, namelijk die van de "humanista". Stel je voor dat je zou zeggen dat een artist een beoefenaar is van het artisme! Onderscheid tussen "studia humanitatis" en de "humanitas".(13) Hier de "studia humanitatis", in de Middeleeuwen het "studium" genaamd, als uitgangspunt van het humanisme: filologie die een literaire mentaliteit wordt.

6. Literatuur
Er was Latijnse en "vulgaire" literatuur. Met "vulgaire" literatuur wordt niet bedoeld dat zij "vulgair" of "volks" was, zoals wij dat verstaan, maar dat zij niet in het Latijn geschreven was, maar in een van de talen die in Italië gesproken werden. De "vulgaire literatuur" komt later dan de Latijnse en ontleent veel aan het Latijn. Grieks wordt aanvankelijk niet beoefend. Zowel de Latijnse als de vulgaire literatuur veronderstellen de opleiding in het trivium, als taalkundige grondslag. De nieuwe literatuur is een "geleerde literatuur", wat betekent dat zij zowel aangeleerd is als dat zij erudiet is. Deze eruditie levert zowel de literaire technieken als het grootste deel van de thema's en stories.

7. Structuur van het humanisme
Aanvankelijk, nog in de Middeleeuwen, de drie vakken van het trivium:
a. grammatica,
b. retorica en
c. dialectica.
De dialectica wordt scholastieke wijsbegeerte (explicatie van de geopenbaare Waarheid), promoveert(14) tot academisch vak, evenals theologie en rechten, en verdwijnt uit het trivium. Geleidelijk aan vindt er uitdifferentiëring plaats van de "enarratio poetarum" (het navertellen van de inhoud van de werken van de antieke auteurs) tot een nieuwe
c. "ars poetriae" of "ars poetica". Ook is er geleidelijke ontwikkeling van
d. de geschiedschrijving, in navolging en/of imitatie van Livius (al bij Lovato), Salustius, Tacitus, en van een nieuwe
e. moraalfilosofie: van de klassieke, dus heidense schrijvers overgenomen articulatie van een mentaliteit, d.w.z. een systeem van codes.
Qua status in de rangorde van de vakken moet men bij het trivium denken aan het gymnasium (met zijn klassieke talen), met dien verstande dat er tot in het midden van de 15e eeuw geen Grieks maar alleen Latijn werd gelezen.(15)
Toelichting
Ad a. Tot op het einde van de Middeleeuwen was het grammaticale onderwijs gericht op het Latijn. De grammatica's van het "volgare" kwamen maar langzaam tot stand en vertoonden meestal de structuur van de Latijnse. Deze laatste was ontwikkeld uit geschriften van de laat-antieke grammatica-leraren Donatus en Priscianus. (De leerlingen moesten de "Donadello" doen.) Op het einde van de 12e eeuw was er een vrij massieve ontwikkeling die eerst in Frankrijk plaatsvond en vervolgens in Italië de voedingsbodem vormde voor de klassiciserende poëzie van de eerste humanisten, Lovato dei Lovati e.a.
Ad b. De retorica die in de 11e eeuw als model voor de "ars dictaminis" werd gebruikt, was niet een algemene - zo die al zou bestaan - maar de concrete van die periode van haar geschiedenis. Men had geen andere ter beschikking dan de Grieks-Romeinse, d.w.z. in hoofdzaak die van Cicero en Quintilianus. Daar de laatstgenoemde schrijver alleen maar in fragmenten bekend was (en de retorica van Aristoteles pas in de 13e eeuw vertaald werd) kwam dit neer op het werk van Cicero (die trouwens pretendeerde Aristoteles verwerkt te hebben). Van hem bezat men een kort jeugdgeschrift, "De inventione" genaamd. Er was ook nog een verhandeling die de naam "Ad Herennium" droeg, waarvan men toen aannam dat zij eveneens van Cicero afkomstig was. Tegenwoordig wordt zijn auteurschap hiervan betwijfeld en men noemt de schrijver ervan daarom liever de "Auctor" (van de "Ad Herennium").
In beide geschriften treft men voorschriften aan voor de structuur van het betoog, uiteraard veel meer gespecificeerd dan hier - ter algemene inleiding - gegeven. In de "De inventione", waartoe ik mij hier beperk, wordt het betoog ingedeeld in zes delen: het exordium,(16) de narratio,(17) de partitio, de confirmatio, de refutatio en de conclusio.(18) Het eerste is een deel aan het begin van de (gesproken) tekst waarin het contact met de toehoorder wordt gelegd door zijn aandacht te trekken. De narratio zet feiten die om een beoordeling vragen, het geval, uiteen. De partitio stelt de gespecificeerde uitwerking van de argumenten in het vooruitzicht. In de confirmatio worden de voor de te verdedigen overtuiging pleitende argumenten behandeld, in de refutatio die welke ertegen zijn. Het slot is uiteraard de conclusie dat de overtuiging inderdaad de juiste is.
Naast deze analyse van de structuur van het betoog, bespreekt de "De inventione" twee andere gebieden die van belang zijn voor het betoog. Het boekje geeft er een algemene beschouwing over en formuleert gedachten over de activiteiten en eigenschappen(19) die degene die betogen opstelt, moet ontplooien, resp. hebben en/of ontwikkelen. Het betoog is het product van retorische arbeid, deze arbeid zelf het toepassen van de retorica. Als arbeid heeft zij vijf delen: de inventio, de dispositio, de elocutio, de memoria en de pronunciatio.(20) Eerst immers moeten de delen van het betoog worden gevonden; dan moeten zij worden gerangschikt; vervolgens komen het kiezen van de juiste bewoordingen ervoor, het zich zo volledig mogelijk eigen maken ervan, het instuderen en overzicht houden dus, en tenslotte, daar het een mondeling betoog is, het voordragen. Mensen die retorisch spreken moeten dan ook inventief zijn, hun argumenten op een rij hebben, een aangepaste stijl bezitten, een geheugen hebben dat hen in staat stelt alles wat zij willen betogen, bijeen te houden (zodat zij bij voorbeeld aan het slot goed kunnen recapituleren en niets overslaan) en een goede voordracht hebben.
Tenslotte is er nog een onderwerp dat behandeld wordt, namelijk dat van de functie van de "redenaar" in wat de Fransen noemen het "discours".(21) Zoals Socrates in de "Phaidros" zegt is de retorica niet alleen bestemd voor volksvertegenwoordigers in het parlement en advocaten voor de rechtbank, maar ook voor gesprekspartners die in een privé-conversatie à  deux iets willen betogen. Iedereen wil wel eens wat betogen, zegt Aristoteles, maar, en daarmee perkt hij het door Socrates aangewezen gebied weer in, de specifieke terreinen waarop de retorica dienst kan doen, zijn er - ook bij Cicero - drie: de openbare lofrede, het pleidooi van de advocaat en de rede van de volksvertegenwoordiger. De lofrede kennen wij uiteraard ook nog, het is de huldigingstoespraak bij het in ontvangst nemen van een onderscheiding of bij het afscheid of iets dergelijks. Het rechtsgeding waarin de advocaat optreedt is ons eveneens bekend, zij het dat gedingen anders worden gevoerd dan in de Griekse en Romeinse tijd. Ook kennen wij het optreden in de volksvertegenwoording.
Het betoog heeft op deze terreinen telkens een andere vorm. Het is respectievelijk epideictisch (moreel), forensisch (juridisch) of beraadslagend (politiek).
Naarmate men bij de beoefening de nadruk legde op een der "facultates" had men een ander begrip van de retorica. Sommigen hechtten meer belang aan het "invenire", anderen aan de "elocutio" (stijl)(22) of de "pronunciatio" (voordracht).(23) Weer anderen wijdden zich aan de ontwikkeling van een leer van de "memoria" (consistentie van het geheugen)(24) of de "dispositio" (stofbeheersing). Ook de delen van de oratio werden vaak onderwerp van speciale behandeling. Het meest bekende voorbeeld is misschien wel de "argumentatio", die kon uitgroeien tot een argumentatieleer.
In de Middeleeuwen werd grote aandacht besteed aan de "captatio benevolentiae", het trekken van de welwillende aandacht, waarmee de oratio opende.
De prestaties van Aristoteles, Cicero en Quintilianus bestaan grotendeels hierin dat zij deze nadrukken, die dus voorheen zo zelfstandig waren dat zij de retorica op verschillende manieren definieerden, hebben omgezet in aspecten van de theorie van de retorica en ze aldus geïntegreerd hebben in een algemene theorie waarin de aspecten de hun toekomende plaats kregen.
Ad c. De "ars poetica"ontstond uit de "enarratio poetarum" (het navertellen van de verhalen van de antieke dichters). Die werden gelezen bij het grammatica- en bij het retorica-onderwijs, vooral het eerste. Gelijdelijk aan maakte zich dit lezen los uit dit lagere onderwijs en werd tot zelfstandig vak, een eerste aanzet tot literatuurwetenschap.
Ad d. De ontwikkeling van de geschiedschrijving is een van de belangrijkste prestaties van de humanisten. Zij zijn degenen geweest die het eerst inzagen dat zij "anders" waren geworden dan de mensen uit de antieke periode en uit de Middeleeuwen. Dat inzicht opende pas het historische perspectief, dat kenmerkend is voor de hele moderne tijd oftewel voor de westerse mentaliteit. Misschien is het wel betekenisvol dat de dialectica voor hen naar de achtergrond verdween en de geschiedschrijving juist naar de voorgrond kwam. Daarin manifesteerde zich immers de overgang van het essentialistische denken naar het concrete, om niet te zeggen existentialistische.
Ad e. De humanistische moraalfilosofie ontstond geleidelijk aan en wel door de voortdurende lezing van de antieke schrijvers. Het is dus niet zo, zoals het vaak wordt voorgesteld dat de humanisten de Oudheid ontdekten en daarom de geschriften van die tijd gingen lezen. Men las de hele Middeleeuwen door geschriften van antieke schrijvers, zij het vaak in de vorm van bloemlezingen, maar men had toen niet het historische besef noch de neiging om deze auteurs om zichzelfs wil te lezen. Men probeerde eraan te ontlenen wat paste in de christelijke kraam. De humanisten hadden grote moeite met zich los te maken of zelfs maar zich los te denken - van de christelijke moraal. Er zijn er maar een paar die er redelijk volledig in geslaagd zijn. Toch kon de groei van een ander mensbeeld en daarmee een andere moraal op de duur niet worden tegengehouden. De humanisten volgden per saldo wat er feitelijk ontstond: het zelfstandige, geseculariseerde individu. Zij legitimeerden dat, zoals zij ook de zelfstandigheid van de stadsstaten legitimeerden, namelijk door uit te gaan van de voorbeelden die zij in de antieke literatuur aantroffen en zichzelf en hun steden daarmee te vergelijken, vaak tot meerdere eer en glorie van zichzelf. In zekere zin liepen de humanisten hiermee vooruit op de Verlichting en op het 19e eeuwse levensbeschouwelijke humanisme.

8. Begin en ontwikkeling
a. De eerste humanisten waren "dictatores":(25) rechters, advocaten, notarissen, leraren (grammatica en retorica), dus: ambtenaren aan hoven en kanselarijen, opgeleid in de "ars dictaminis"; Pier della Vinea aan het keizerlijke hof; Lovato dei Lovati aan de rechtbank van Padua; Brunetto Latini als kanselier van Florence; enz. Zij waren geschoold in het middeleeuwse "studium" - het "trivium" dus - waarin zij bepaalde elementen vernieuwden. Eerst de verstechniek, later brieftechnieken, geschiedschrijving enz.
b. In de eerste tijd traden twee richtingen op: een klassiciserende en een vulgariserende, in Padua resp. Florence. Lovato met zijn poëzie in het Latijn, Latini met zijn encyclopedie in het "volgare". Waarom die twee tendenzen? De klassiciserende of latinizerende was waarschijnlijk gericht tegen de uit Frankrijk overgewaaide hoofse literatuur, die de urbane Italianen te ridderlijk (lees: boers of feodaal) vonden. In Florence daarentegen was men helemaal gecharmeerd van de uit Zuid-Frankrijk via Spanje en Sicilië komende minne- of troebadoerslyriek die in het "volgare"werd geschreven. Florence was door deze voorkeur aanvankelijk achterop in de ontwikkeling van het humanisme; het humanisme ontstond twee generaties eerder in Padua en Arezzo.
c. Kelley vertelt de geschiedenis van het humanisme als het opengaan van een bloem. Eerst is er het "studium", een relict van de Romeinse tijd. De eerste humanisten vatten het erin vervatte program anders op, begonnen te klassicizeren en te historizeren. Zij verdrongen de dialectica, maar bouwden de poëtica uit. Gelijke tred hield hiermee de ontwikkeling van de geschiedschrijving, een narratieve techniek. Als laatste "vak" (van de vijf) komt de moraalfilosofie. Dit vijftal is bij Kelley de kern van het humanisme. Het is de basis van het humanistische onderwijs. Van daar uit breidde men uit op de gebieden van de filosofie (platonisme), de anthropologie (bv. de leer van de vrije wil, het menselijke kenvermogen, de menselijke waardigheid), de politieke denkbeelden (bv. het zg. civische humanisme met zijn republikeinse en democratische implicaties). De "studia humanitatis" leverden de vormen, de methoden, de doelstellingen en veel van de inhoud van het humanisme van de Renaissance. Vanaf de 15e en vooral de 16e eeuw echter legt het humanisme beslag op vrijwel alle gebieden van de geest, in de eerste plaats op dat van de vrije kunsten, maar eveneens op het gebied van de rechtsgeleerdheid, de medicijnen, de filologie, de theologie, de cultuurgeschiedenis, zodat het een encyclopedische aangelegenheid wordt, wellicht uitmondende in de "Encyclopedie" van de Verlichting. Men komt dan in het stadium van het post-humanisme waarin allerlei vormen van neo-humanisme ontstaan en de vraag rijst of en wat men er nog aan heeft.
d. Kelleys verhaal is er een van ontwikkeling van vakgebieden. Hij componeert het als een overzicht van de humanistische geschriften (dat geen enkele humanist zou hebben kunnen schrijven, behalve de laatste of, beter, de eerste post-humanist.)(26) Witts verhaal is meer dat van de ontwikkeling van de individuele humanisten zelf. Het gaat van persoon naar persoon. Moet men het bij Kelley doen met een "chronology" aan het einde, Witts boek volgt de historische lijn, hij diept de aloude indeling in "generaties" verder uit.

9. Het humanisme
a. De humanisten
De "generaties" van Latini en Lovato, midden 13e eeuw, tot Vico, begin 18e eeuw.
I.
0. Brunetto Latini (1220-1294)(27) en het "volgare";
1. Lovato dei Lovati (1241-1309)(28) en het "klassiciseren";
2. Albertano Mussato (1261-1329),(29) Geri d'Arezzo (c.1270 - 1339);
Intermezzo 1: Dante Alighieri (1265-1321);
3. Francesco Petrarca (1304-1374)(30) en de eerste filosofie van het humanisme, Giovanni Boccaccio(1302-1375), Giovanni Villani (c.1276-1348);(31)
Intermezzo 2: Bartolus (1309-1352);(32) Cola di Rienzi (1314-1354);
4. Coluccio Salutati (1331-1406);(33) Matteo Villani (ong.1285-1363);(34)
II.
5. 1369-1459: leerlingen en volgelingen van Salutati:
Leonardo Bruni Aretino (1369-1444),(35) Pier Paolo Vergerio (1370-1444),(36) Poggio Bracciolini (1380-1459),(37) Guarino Veronese (1370-1460),(38) Vittorino da Feltre (1370-1446);(39) Cennino Cennini (c.1370-c.1440),(40) Filippo Villani (1325 1407);(41) Lorenzo Ghiberti (1378-1455),(42)
6. Leon Battista Alberti (1404-1472),(43) Giannozzo Manetti (1396-1459),(44) Matteo Palmieri (1406-1475) en Lorenzo Valla (1407-1457),(46) Nicolaus von Kusa (1401-1464);(47)
7. Christoforo Landino (1424-1504),(48) Marsilio Ficino (1433-1499),(49) Giovanni Pontano (1426-1503);(50)
8. 1454-1507: Giorgio Valla (1447-1500),(51) Angelo Poliziano (1454-1494),(52) Giulio Pomponio (1428-1497), Rudolf Agricola (1444-1485);
III.
9. Pietro Pomponazzi (1462-1525), Pico della Mirandola (1463-1494),(53) Machiavelli (1469-1527),(54) Pietro Crinito (1475-1507) ; Guillaume Budé (1468-1540);
IV.
10. Erasmus (1466-1536),(55) Thomas More (1478-1535);(56)
11. Juan Luis Vives (1492-1540), Andrea Alciatus (1492-1550);
12. Giorgio Vasari (1511-1574),(57)
13. Jean Bodin (1530-1596),(58)
14. Hugo de Groot (1583-1645);(59)
15. Giambattista Vico (1668-1744).

b. Activiteiten
Imitatie van antieke schrijvers (Lovato), schrijven van klassisizerende poëzie (Lovato), vertaling van antieke schrijvers (Latini, Ficino), commentariëring, zoeken van manuscripten en verzorgen van tekstkritische uitgaven (Bracciolini), ontwikkelen van humanistisch onderwijs (Guarini, da Feltre), schrijven van tractaten (Alberti, Manetti, Palmieri, Valla, Ficino, Pico), schrijven van biografieën (Bruni, Vasari), enz.
Ontwikkeling van
- zin voor de correcte teksten (Petrarca, Bracciolini, eigenlijk allemaal),
- zin voor historiciteit,
- onderwijs in de humanistische vakken (Guarino Guarini Veronese, Vittorino da Feltre)
- begrippen als de menselijke waardigheid (Manetti, Pico della Mirandola),
- de poëtica (Dante, Petrarca, Boccaccio, Salutati),
- zin voor seculariteit (Alberti, Palmieri),
- zin voor subjectiviteit.(60)

c. De geschiedenis van het humanisme
fasen:
A. De prehumanisten (Latini, Lovato, Mussato, Petrarca, Boccaccio tot Bruni),
B. Van Bruni tot Machiavelli,
C. het Grieks (in de 15e eeuw),
D. het Europese humanisme (vanaf de 15e eeuw).

d. Samenvatting
Een beschrijvende definitie van het Italiaanse humanisme: de beoefening van grammatica, retorica, poëtica, historiografie en moraalfilosofie. Dat op zichzelf zegt weinig, maar spreekt als men het stelt tegenover andere "mentaliteiten". Het humanisme is geen "filosofie" noch een theologie. Het humanisme is een literaire mentaliteit, fundamenteel verschillend van de filosofische die met begrippen werkt en de theologische die met mysteries werkt. Ook van de wetenschappelijke, die experimenteel werkt en geen schriftgeleerdheid is. Met al deze mentaliteiten heeft het humanisme gemeen dat het "geleerd", d.w.z. aangeleerd, is en mét deze staat het tegenover het ongeschoolde denken en spreken.(61)

Esseejtje 1. Kunstgeschiedenis en humanisme
Men stelt het vaak zo voor dat eerst het humanisme ontstond en dat de ideeën van de humanisten de beeldende kunstenaars inspireerden, bv. tot het perspectief. Sommige historici laten echter het humanisme beginnen na 1400, met de "Laudatio Florentinae urbis" (1404). Voor dezen klopt het voorgaande niet, maar beginnen humanisme en nieuwe beeldende kunsten tegelijkertijd. Zelfs als men het begin van de Renaissance van de beeldende kunsten dateert bij Cimabue en Giotto, gaan de eerste humanisten (Lovato, Mussato, Geri) daaraan in tijd vooraf. Dat hoeft echter nog niet te betekenen dat zij de eerste renaissancistische beeldende kunstenaars beïnvloed of geïnspireerd zouden hebben. Niettemin schijnt het perspectief, een van de belangrijkste vernieuwingen van de Renaissance in de beeldende kunst, een voorgeschiedenis te hebben in de literatuur.(62)
Grondleggers van de kunstgeschiedenis in de Renaissance: Alberti, Ghiberti, Bruni, Vasari, Cennini, Cellini,

Esseejtje 2. Commerciële burgerij en humanisme
De Renaissance was niet alleen een "cultureel", d.w.z. artistiek en literair, verschijnsel. Zo zagen historici haar graag in de 19e eeuw, toen men meende dat de geschiedenis afhankelijk was van ideeën. In de 20e eeuw is deze visie helemaal gereviseerd. Ook materiële en sociale factoren werden in de beschouwing betrokken en dat leidde o.a. tot een sociaal-economische kijk op de Renaissance. Historici geloofden niet langer voetstoots wat uit de tijd zelf stammende schrijvers, die doorgaans tot de hogere klassen behoorden, hadden nagelaten, maar kregen ook aandacht voor uitlatingen uit de onderklassen, o.a. van kooplieden. Daaruit resulteerde een omvangrijke economische geschiedschrijving. Zij stelt ons in staat tot een meer compleet beeld van de tijd waaruit blijkt dat veranderingen in denkwijzen en gedragspatronen al langer gaande waren dan de meer cultureel gerichte geschiedschrijving suggereerde. Die stelde dat mensen als Cimabue, Giotto, Dante, Petrarca enz. de eerste vernieuwers waren. Dat waren zij echter alleen maar met een kunst en literatuur die veranderingen weerspiegelden die al aan de gang waren, in het bijzonder in Italië en in de economische sector. Deze ontwikkelingen maakten Italië bijzonder. Er ontstond, veel vroeger dan in de rest van Europa, en zeker al rond 1200, een handeldrijvende en ambachtelijke bevolking(63) die geleidelijk aan overal de boventoon ging voeren.
Als het humanisme in de Renaissance een overwegend literaire beweging was, waarom, kan men vragen, interesseerde er zich dan die handeldrijvende en ambachtelijke klasse voor, die zeker vanaf het begin van de 13e eeuw opkwam? Voor ons is dat een onbegrijpelijk verschijnsel daar wij gewend zijn te denken dat koopmansgeest en kunst niet samengaan.(64) Deze mensen hadden echter geen aanspraak meer aan de geestelijkheid met haar moraliserende godsdienstopvatting noch aan de romans lezende en schrijvende ridderklasse. Geestelijkheid en ridderklasse konden het nog wel met elkaar vinden, in het bijzonder in de leer van de twee zwaarden of van het caesaropapisme, maar de kooplui moesten het doen met hun notarissen, advocaten en rechters, die de tweede groep van geletterden in de maatschappij van na 1000 vormden. Deze groep ging echter vrij snel daarna het intellectuele leven in Italië bepalen.
Wat bewoog die groep om te denken dat schrijvers als Cicero, Vergilius, Seneca, Statius, Ovidius, Lucanus, Propertius en Tibullus de kooplui aanspraken in plaats van de schrijvers waar de geestelijkheid zich door liet inspireren? Het kan niet het Latijn zijn geweest, want dat was ook de taal van de geestelijken, maar het moet de oorspronkelijk in die taal geschreven literatuur zijn geweest. Misschien was het een terugkeer naar het voortheologische denken van het trivium dat veel van die kooplui ook, net als die groep juristen, hadden genoten als voorbereiding op hun eigen vakliteratuur. Misschien ook brachten sommige kooplui van hun contacten elders literatuur mee die daar nog werd gelezen, maar in het Westen verwaarloosd werd of opzettelijk genegeerd omdat zij niet bevorderlijk was voor het zieleheil. In de Veneto vooral? Dat was blijkbaar een doorgangshuis van West naar Oost. Uit het Westen kon die literatuur niet komen. Uit de Oosten dan? Uit het Noord-Oosten, het voormalige Dacië waar ook copieën van romans zijn gevonden?(65)
Ik ga ervan uit dat er - rond 1200 - een drietal waardensystemen bestonden: dat van de geestelijkheid, dat van de ridders en dat van de kooplui. Zie als voorbeelden Guibert van Nogent, het Chanson de Roland en de correspondentie van een enkele handelsman.(66) Misschien werden ook door de "vaganten" in het Latijn, dat tenslotte de internationale taal was, teksten in omloop gebracht die de kooplui aanspraken en die een vierde massa literatuur met een vierde waardensysteem vormden. De kooplieden van de Italiaanse steden, die zwierven van Champagne in noordoost Frankrijk via het Rhônedal, het Aosta-dal en de Po-vlakte tot in Venetië, passeerden en verbleven in vele steden, die zij konden vergelijken met de hunne. Intuïtief voelden zij de verschillen en de overeenkomsten, ook de gezamenlijke tegenstelling tot het platteland. Thuis hun verhalen vertellende ontmoetten zij mensen die geschriften hadden gelezen waarin het ging om steden in de Oudheid, vooral om Rome. Die konden het stedelijke benoemen, waartoe de kooplui niet in staat waren. Dit bracht hen tot elkaar. Het bleek dat deze mensen, de humanisten, op grond van hun belezenheid nog meer konden benoemen dat de kooplui tegenkwamen, juridische figuren bij voorbeeld, zoals contract, eigendom, bezit, pand, huur. In ieder geval konden zij dat veel beter dan de geestelijken die meestal negatief reageerden op hun verhalen en alleen maar waarschuwden voor zedelijk verval en gevaar voor het zielenheil. Deze mensen waren vaak de advocaten of notarissen van de kooplui, de griffiers ook van de bestuurscolleges waarin de kooplui zelf zaten. Als humanisten werden zij de mondstukken van de mercantiele klasse.

Esseejtje 3. Een literaire mentaliteit
Het humanisme was niet alleen maar de beoefening van een aantal vakken. Het was meer dan dat, het was een mentaliteit, ja, voor velen was het een godsdienst. Dit is het meest wezenlijke kenmerk van het humanisme. Het is een mentaliteit die zich niet zozeer bekommert om de inhoud, laat staan de waarheid van wat er gezegd wordt, maar het zoekt in het plezier van het onder woorden brengen zonder meer, dus ongeacht het onderwerp, of dat nu onuitsprekelijk is of onbetamelijk wordt geacht. Vooral in de poëzie wordt gestreefd naar het uitspreken van het onuitsprekelijke. In de moderne, d.i. realistische en naturalistische roman beschrijft de schrijver ook het sexueel intieme of aanstotelijk geachte en het maatschappelijk verwerpelijke of ondergeschikte. Soms gebruikt de schrijver alleen maar woorden zonder op een inhoud te letten, alleen om de klank(kleur) of het ritme.(67)
In de literaire mentaliteit heerst enerzijds een voorliefde voor poëzie en narrativiteit, om nog maar te zwijgen van dramatiek en theater, en anderzijds een daarmee corresponderende afkeer van moralisme en dogmatisme (inclusief rationele filosofie). Zij is verzot op het "zingen" (het swingen, jazzen, de fun) van literatuur, vooral in de poëtische taal, maar ook in het understatement, de hyperbool, de ironie, de "tongue-in-cheek"-taal, het suggestieve, het clevere, enz. De Middeleeuwen kenden wel degelijk hymniek en muziek, maar die was helemaal ondergeschikt gemaakt aan de geloofsbeleving. In de poëzie van de zg. vaganten en de troubadours zijn overigens veel elementen aan te treffen van een echt literaire mentaliteit, misschien nog meer dan bij de vaak doodserieuze humanisten. (Ik weet te weinig van de renaissancistische muziek om te kunnen beoordelen of zij niet nog beter de seculariserende functie vervulde die ik aan het humanisme toeken. Over dit onderwerp o.a. Nolthenius, H., Renaissance in Mei.) De literaire mentaliteit uit zich in beginsel in proza, lyriek en drama. Drama en lyriek als uitdrukkingsmiddelen zijn de wetenschap en de filosofie verboden. Zij zijn daarom het eigen terrein van de literatuur. Er is een tussengebied, de essayistiek, die tot voor kort de interessantste literaire vorm was. Tegenwoordig is zij terzijde geschoven door de roman die nog veelzijdiger (polytroop) is. Wat zeiden de humanisten zelf ervan? Dat is het onderwerp van de "Einführung in die humanistische Philosophie" van Ernesto Grassi. Hij behandelt daarin successievelijk Dante, Mussato, Petrarca, Bruni, Policiano, Salutati (2 x), Pontano, Guarino, Landino, Vives, Valla, Erasmus, Alberti en Leonardo da Vinci, eindigende met diens dood in 1519. (Ook Paatz gaat maar tot 1520!! Dan komt het maniërisme.) Het begint volgens Grassi al met Dante. Niet dat die helder voor ogen had wat er op hem zou volgen. Hij is tweeslachtig. Enerzijds verkondigt hij een opvatting over de filosofie die helemaal traditioneel is, ja, waarin hij de traditionele, essentialistische filosofie samenvat, anderzijds heeft hij een zeer scherp oog voor het tijdelijke en lokale, voor het bijzondere dus. De eerste brengt mee dat de dingen worden bepaald(68) door de "ratio". In zijn eigen dichterschap "bepaalt"(69) hij echter de dingen heel concreet en is zijn uitgangspunt het woord, niet het begrip (van de traditionele filosofie). Dat blijkt vooral in de "De vulgari eloquentia" waarin hij zoekt naar de geëigende dichterlijke taal, de taal immers "die illustere dichters hebben gebruikt die in Italië poëzie in de volkstaal hebben geschreven". ("Hoc enim usi sunt doctores illustres qui lingua vulgari poetati sunt in Ytalia, ut Siculi, Apuli, Tusci, Romandioli, Lombardi et utriusque Marchie viri."). Deze dichterlijke taal is "illuster" ("illuminans" of verlichtend), "cardinalis" (scharnierend, van kardinaal belang), "aulicus " (algemeen of landelijk, nationaal, van het hele volk) en "curialis" (gerecht, zoals in "gerechte straf", maar ook "rechtbankelijk"). In het bijzonder dat zij "illuminans" is maakt dat de dichterlijke taal bepalend is op een andere manier dan de filosofische. Door haar bepalen spreekt de laatste uit wat een zaak is. Vóór haar bepaling was dat niet bekend en de zaak wordt dus door deze bepaling ontdekt of onthuld. De bepaling in deze zin is "logisch", zo niet dan deugt zij volgens de traditionele filosofie niet. Het dichterlijke woord nu is een andere manier om de zaak te onthullen of, zoals Heidegger en Grassi zeggen, te "ontbergen", het omgekeerde van "verbergen". Door de dingen te benoemen worden ze al onthuld, niet pas door het "begrijpen". Dit ontbergen vindt volgens Heidegger plaats uit noodzaak. In zijn existentie komt de mens telkens voor situaties te staan die nieuw voor hem zijn en die gedefinieerd moeten worden wil hij ermee klaarkomen. Dat is de existentiële nood. Die doet zich van geval tot geval voor en heeft dus altijd te maken met concrete, naar tijd en plaats bepaalde dingen, alles is eenmalig. De definiërende werkzaamheid van de rationalistische filosofie schiet hier te kort. Alleen de aanvankelijke, de dichterlijke taal helpt. Zo dacht Dante natuurlijk nog niet - of misschien wel, maar wist hij het niet, - maar Grassi interpreteert hem zo. Dante en met hem het humanisme waartoe hij de eerste aanzet geeft, wordt hierdoor een existentialist avant la lettre. Existentialist of niet, Dante was tweeslachtig in zoverre hij filosofisch zocht naar algemene waarheden aan de hand waarvan hij de dingen kon begrijpen en dichterlijk zocht naar een conrete taal die aan alle begrip vooraf moest gaan. De humanisten zijn Dante gevolgd op die tweede weg en hebben het dichterschap beschouwd als een alternatieve filosofie, een "altera philosophia", zoals Albertano Mussato het noemde. En dit is dan ook niet zomaar een poëticale opvatting, maar een filosofisch uitgangspunt. Later zal Pontano dit uitwerken door een beroep op de befaamde uitspraak in de Metafysika van Aristoteles dat de dichter ("filomythes") op dezelfde manier aan zijn werk begint als de filosoof, namelijk als gevolg van zijn verbazing over de dingen. En Grassi voegt er een verwijzing naar de "Faidros" van Plato aan toe waarin Socrates opmerkt dat de cicaden die hij hoort zingen, de nazaten zijn van de mensen die de Muzen hoorden zingen en zelfs hun eten niet aanroerden bij het luisteren, zo werden zij meegesleept. Mussato beweert dat de dichterlijke taal de meest oorspronkelijke taal is. Vóór de helden die de dichter bezingt, is hij er zelf, want eerst door zijn werk treden de helden met hun daden en met hun roem in de openbaarheid. Hij raakt in discussie met een rechtgeaarde vertegenwoordiger van de scholastieke denktrant, Giovanni da Mantua. Zij strijden over de symboliek van de lauwerkrans die Mussato heeft verworven voor zijn toneelstuk "Ecerinis". Mussato stelt dat de krans het zinnebeeld is van het dichterschap en dat het, zoals de laurier, altijd fris is en groen geplukt wordt, eeuwig deze tooi heeft. Vandaar dat de dichters ("vates") de slapen getooid krijgen met de laurier. Giovanni echter betoogt dat de krans symboliseert dat het dichterschap om de waarheid, die in het midden is, heen draait of haar in het midden laat en dus iets uiterlijks of toevalligs is. Petrarca volgt de lijn van Dante. Hij zit echter niet in over de scholastieke filosofie, zoals Dante, maar bekritiseert haar. Niettemin kan hij er zich niet van losmaken, terwijl hij anderzijds gefascineerd is door de macht van het woord die in de metaforen (en niet in de begrippen) ligt. Hij stelt zich de vraag of door deze stijlfiguren een realiteit wordt geopenbaard die het logische denken niet bereikt of dat zij zuivere ficties zijn. De dichter, zegt hij in zijn "Oratio laudis poeticae", wordt rechtstreeks door God geïnspireerd. Dat is ook de reden waarom hij volgens Cicero heilig genoemd moet worden. En waarom hij bevoegd is tot de zg. dichterlijke vrijheid. Het gebruik van metaforen is vaak nodig, omdat de waarheid te hard is. Aangezien de dichters rechtstreeks door God geïnpireerd worden, hebben de dichters het meest oorspronkelijke woord. (De filosofen moesten wachten tot Descartes voor ze met hun ingeboren ideeën iets vergelijkbaars kregen.) (Wordt vervolgd.)

Esseejtje 4. Een autobiografische aantekening
Valt op een eenvoudige manier uit te leggen wat het humanisme(70) is? Bij voorbeeld op de manier waarop Le Goff zijn "l'Europe raconté aux jeunes"(71) bedoeld heeft of Lyotard zijn "Le postmoderne expliqué aux enfants"? Of op de manier waarop Geert Mak geschiedenis "vertaalt voor arbeiders"? Voor mij is het een oeroude liefde, van mijn gymnasiumtijd daterend hoewel niet door de school teweeggebracht, en een vanzelfsprekende zaak. Maar interessant is dat ik er zelf ook pas laat achter ben gekomen dat het zo heette. Eerst - nog in de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw - dacht ik dat het "literatuur" heette, en ik ging dan ook na het gym, in 1954, Nederlands studeren. Na verloop van tijd vond ik dat vak niet praktisch en ging over naar "rechten". Hoewel er nogal wat juristen zijn die zich graag "literair" gedragen, denkt iedereen dat "rechten" iets heel anders is dan "literatuur". Op de een of andere koppige manier heb ik echter altijd het idee gehad, dat "rechten" ook "literatuur" is. Jaren later, toen ik al van de universiteit af was en geen rechten meer doceerde, heb ik begrepen dat ik gelijk had. Dat lag aan het humanisme. Of ik nu literatuur bedreef of rechten, ik was altijd een humanist. En, dacht ik tot mijn eigen verbazing en verrassing, dat had ik ook altijd willen zijn. Mooier nog, het is allemaal tot op de dag van vandaag "literatuur" gebleven.
Dit klinkt natuurlijk al tamelijk verheven, autobiografisch en zo, maar wat moet ik? Zo is het gegaan. Ik kreeg zelfs een baan waarin ik humanist moest zijn, ook al noemde men het niet zo. Eind 1958 werd ik uitverkoren om in Maastricht bij Openbare Werken redacteur te worden, belast met de controle op "taal, stijl en logica van alle van de dienst uitgaande stukken". Dertig jaar later en na oneindig veel onderstrepingen in geleerde boeken begreep ik dat die taakomschrijving het programma van de eerste humanisten uit de wereldgeschiedenis onder woorden bracht. Wel onder nieuwe woorden, 20e eeuwse, maar met vrijwel dezelfde bedoeling.
"Taal, stijl en logica" heette in de Middeleeuwen het "trivium", letterlijk vertaald: drieweg. De vorming die mensen in de Middeleeuwen konden krijgen bestond uit zeven vakken, de zeven vrije kunsten genoemd. Deze waren zo'n beetje het middeleeuwse gymnasium, laten we zeggen talen en exacte vakken. De talen vormden het trivium, de exacte vakken het quadrivium, de drieweg en de vierweg. De meeste aandacht besteedden de middeleeuwers aan het eerste.
De drie wegen - naar de wijsheid - waren de grammatica, de retorica en de dialectica, of, in 20e eeuwse bewoordingen taal, stijl en logica. Met mijn humanisme heb ik dus een tijd lang mijn brood verdiend. Ik kon er een gezin van stichten en een carrière op opbouwen. In de Middeleeuwen kon men met die vooropleiding van zeven vrije kunsten rechten gaan studeren (of medicijnen of theologie of filosofie) en ik heb dat ook gedaan.(72)
Waaraan kan men de humanist kennen? Mijn kinderen weten het uit - bittere - ervaring: hij leest, onderstreept en heeft een bibliotheek. Hoezo? Waarom? Een humanist streeft naar belezenheid (geleerdheid of eruditie), hij wil alles gelezen hebben. En dan niet zoals je een krant of reclame leest, maar tien keer, desnoods honderd keer, zodat je alle geheimen van een tekst hebt ontraadseld. Hij begint met onderstrepen, d.w.z. met markeren hoe een tekst is ingedeeld. Als je dat kunt, een tekst indelen, heb je hem begrepen, maar nog niet helemaal. Je hebt zogezegd een eerste indruk, een algemeen begrip. Zo'n tekst bestaat uit namen, woorden en zinnen en om die te kunnen begrijpen moet je veel gelezen hebben, zodat je alle contexten kent waarin woorden gebruikt worden. Je doet dan natuurlijk een enorme hoeveelheid algemene ontwikkeling op, maar die heb je ook nodig.
Het humanisme is een verschijnsel dat vooral bestond in de tijd tussen de 13een de 18e eeuw. Is het daarom verleden tijd? Er zijn toen dingen ontwikkeld die nu nog gebruikt (kunnen) worden. Zoals? In de eerste plaats heeft men toen bedacht hoe je taalkundig zuiver (of grammaticaal correct) kunt praten en schrijven, dus fatsoenlijke zinnen kunt maken. Men voegde hieraan toe de kunde van het componeren van een tekst, dus hoe je een goed leesbare en de aandacht boeiende tekst kunt schrijven. Men leerde dat vooral van schrijvers uit de Grieks-Romeinse Oudheid en daardoor kwam men er tegelijkertijd op dat teksten altijd historisch bepaald zijn en alleen maar begrepen kunnen worden als je ze in hun context plaatst. Dat betekent ook dat je, als iemand je schrijft of tegen je praat, je moet realiseren dat hij dat met een heel andere achtergrond doet dan jij hebt en dat je je daarin moet verdiepen wil je hem kunnen begrijpen. Je leert ook dat er aan een zaak ontelbaar veel facetten zitten zodat je er niet met een enkele opmerking mee klaar bent.
De eerste humanisten realiseerden zich ook dat sommige van die oude Romeinen hadden begrepen hoe je je "civiel" (of fatsoenlijk) moet gedragen en men kon daaruit een moraal opbouwen.
En tenslotte begrijp je steeds beter dat je een kunstenaar bent die een "gegeven" uitwerkt of vorm geeft, al is het maar met woorden. Ik heb nou een paar keer het woord fatsoen gebruikt, maar het humanisme is geen fatsoensrakkerij, het is veel meer een "literaire mentaliteit". Zo'n civiele houding sluit helemaal niet uit dat je je fantasie kunt gebruiken en de meest waanzinnige dingen kunt ontwikkelen en ondernemen. Dat Columbus Amerika ontdekte was een uitvloeisel van het humanisme.(73) Om maar eens wat te noemen.

Esseejtje 5. Nog een autobiografische aantekening
Misschien zijn er lezers geïnteresseerd in het antwoord op de vraag waarom ik mij bezighoud met het Italiaanse humanisme van de Renaissance. Ik moet dat eens een keer in een systematisch essay duidelijk maken. Voorlopig verwijs ik naar een aantal al op internet gepubliceerde teksten van mij. In de eerste plaats naar "Vroegmiddeleeuws volkenrecht", in het bijzonder de passages over de verandering van mentaliteit bij de overgang van het Romeinse naar het christelijke Europa. Ik karakteriseerde de eerste, de Romeinse mentaliteit, als "civisch", de tweede als "augustinistisch". De term "christelijk" was mij te algemeen, terwijl "augustinisme" een aan het fundamentalisme grenzende zo niet ermee gelijk te stellen mentaliteit is. Autobiografisch is deze aantekening omdat ik in mijn jonge jaren naar mijn idee een sterk augustinistische opvatting van mijn eigen geloof heb gehad. Ik werd er mij in toenemende mate van bewust dat zij mij de toegang tot de wereldlijke werkelijkheid ontzegde en besefte dat ik in dezelfde situatie verkeerde als heel Europa van voor de Renaissance. Zou ook voor mij de mentaliteit van de Renaissance en in het bijzonder het humanisme de uitweg zijn? Daarvan heb ik mij rekenschap proberen te geven in de vorm van het verzamelen van materiaal voor een essay over het ontstaan van het Renaissance-humanisme in Italië, waarvan de bovenstaande tekst een samenvatting is. Op een wat andere manier heb ik dit gedoe van mij uiteengezet in mijn weblogs van eind 2006/begin 2007.

Esseejtje 6.
Welke consequentie heeft het feit dat het humanisme in het grootste deel van Europa pas na een aantal eeuwen "aankwam"? Bleef hierdoor het oude - feodale, landelijke, hoofse - denken daar veel langer in stand en invloed uitoefenen niettegenstaande alle humanisme? In Italië raakte het humanisme in de 16e eeuw al over zijn hoogtepunt heen, maar dat land werd van toen af geregeerd door vreemde mogendheden, Frankrijk, Spanje, het Duitse Rijk, Oostenrijk tenslotte. Het humanisme moest in de rest van Europa in een veel kortere tijd worden gerecipieerd dan het in Italië was ontwikkeld en bovendien was het een "buitenlands" product. Deze receptie vond plaats in de 16e eeuw en werd in de tweede helft van de 17e al gevolgd door het cartesiaanse rationalisme. Dus?

Noten:
1. Deze tekst is niet bedoeld als een "artikel". Hij bevat het materiaal dat ik heb gebruikt voor het college dat ik heb gegeven op 13 april 2005 voor de Academie voor Beeldende Kunsten Maastricht.
2. Merkwaardig genoeg staat er in die preambule niets over "filosofische tradities". In de geschiedenis van Europa is de filosofie altijd de "next best" van het geloof en de theologie geweest. Dat was zeker het geval in de tijd van de Reformatie toen de godsdienstoorlogen oekumene uitsloten. Enkele eeuwen lang is de rationalistische filosofie voor velen het alternatief voor godsdienst geweest, maar tegenwoordig is dat niet meer zo. Er heeft een zg. "linguistic turn" in het denken plaatsgevonden.
3. In tijd gingen de humanisten vooraf aan de Renaissance van de kunsten, ook als men die laatste laat beginnen met Giotto, maar zeker als zij pas begint in 1401 of met Brunelleschi.
4. Dat dit college alleen maar gaat over de tweede vorm van het humanisme brengt mee dat het een historische uiteenzetting is en dat er geen moeite wordt gedaan om de menselijke waardigheid o.i.d. aan te prijzen. Over de actualiteitswaarde van het humanisme zie Heidegger, Grassi en Sloterdijk. Heidegger geeft de voorkeur aan zijn eigen existentialisme, Grassi probeert uit te leggen dat het humanisme van de Renaissance een existentialisme avant la lettre was, namelijk een poging om de existentiële problematiek en thematiek in taal te vangen. Sloterdijk maakt er "Regeln für den Menschenpark" van, het systeem waardoor de mens (door machthebbers) gedomesticeerd is. Zij hebben het grotendeels over het humanisme als levensbeschouwing.
5. "Logischerwijs"? Verdeeldheid in een gebied lokt inderdaad externe machthebbers aan. Overeenkomstig welke wetmatigheid eigenlijk? Hoezo leidt onrust en verdeeldheid bij de buren tot een neiging om er zich in te mengen? De situatie daar kan natuurlijk overslaan, is dus bedreigend voor de eigen rust en veiligheid. Bemoeizucht is ook een motief. Is het Romeinse Rijk niet groot geworden door "animus dominandi"? En hoe is de "animus interveniendi" te definieren? Enz. Zie ook wat er momenteel gebeurt in Afghanistan. In ieder geval hebben een aantal interventies in Italië plaatsgevonden, te beginnen met de Italiaanse oorlogen van Karel VIII van Frankrijk.
6. Dante zelf behandelt die in zijn tractaat "De vulgari eloquentia". Zie voor een voorbeeld van diversiteit van talen in de Veneto Witt, Footsteps, pg. 83.
7. Jones besteedt veel aandacht aan de urbanisatie. Behalve de stedelijke mentaliteit was er op het einde van de Middeleeuwen sprake van een rebelse geest, o.a. in de z.g. vagantenliteratuur, waarin veel kritiek op de kerk en het politieke systeem tot uitdrukking werd gebracht, maar zonder dat er een fundamenteel andere systematiek tegenover werd gesteld. Zij was meer non-conformistisch van aard en niet revolutionair, zoals de stedelijke.
8. Dit feodale en agrarische karakter van de rest van Europa heeft ertoe geleid dat het humanisme daar pas laat doordrong en zelfs op een tijdstip dat het in Italië al over zijn hoogtepunt heen was en in verval raakte. Dat was vooral het geval in de 16e en 17e eeuw, toen de "Renaissance van het Noorden" plaatsvond. Het humanisme heeft dan ook in het Noorden een andere betekenis gekregen dan in Italië. Het was een vreemde eend in de bijt, een "illegitiem" soort denken. Men was gewend aan christelijk en hoofs denken. Vaganten en fabliaux waren rebels, maar binnen grenzen. Het humanisme overschreed deze grenzen en plaatste zich helemaal buiten het gewende kader. Het werd het denken van de Antichrist.
9. Overzicht van de Italiaanse geschiedenis t/m de 17e eeuw (ontleend aan Ferroni):
a. La civiltB comunale (fino al 1300): de tijd van de comunes,
b. La crisi di mondo comunale (1300-1380): overgang naar het seigneuriale systeem,
c. Mondo umanistico e signorile (1380-1494): humanisme en seigneuriaal systeem,
d. EtB delle guerre d'Italia (1494-1559): de periode van de Italiaanse Oorlogen,
e. SocietB di Antico regime (1559-1690): de maatschappij van het Ancien Regime.
10. Zoals blijkt uit de christianisering van de hoofse roman, die van oorsprong keltische verhalen bevatte, in de "Parcival".
11. Walter Paatz citeert een uitspraak van Angiolo Galli uit 1442 waarin deze "het schoonheidsbegrip van de Renaissance vrijwel volledig had gedefinieerd, toen hij over de schilder Pisanello de volgende korte uitspraak deed: Arte, mesura, aere et desegno, manera, prospectiva et naturale gli ha dato el celo per mirabil dono." Volgens Paatz is "in deze formule bijna alles vervat wat volgens de meesters van de Renaissance het wezen der nieuwe kunstvorm bepaalt". In het kort legt hij de in dit citaat opgenomen begrippen als volgt uit: "Arte: kunst, dit fundamentele begrip, geladen met een nieuwe betekenis staat – het is kenmerkend – aan het begin. Mesura: maat, betekent gratie en de juiste proporties, dus het complex van waarden, waarover ook Villani en Ghiberti spreken. Aere: bedoeld wordt waarschijnlijk het atmosferische perspectief (het sfumato van Leonardo da Vinci) wellicht bovendien ook meer algemeen de kunst van de ruimteweergave in de schilderkunst. Desegno: dit begrip wordt … door Vasari duidelijker omschreven. Manera: dit betekent vermoedelijk een gemakkelijke picturale ‘voordracht’. Prospectiva: het lijnperspectief van de tekening. Naturale : de natuurgetrouwe weergave." (Paatz, pg. 20.) Het "desegno" of "disegno" is "de tekening, waarin volgens de opvatting van de Renaissance de idee, die de kunstenaar in zijn werk vorm wilde geven, het zuiverst tot uitdrukking komt" (Paatz, pg. 203). Gewoonlijk vertaalt men het woord in het Nederlands met "ontwerp" of gebruikt men het Engelse woord "design".
12. Witt, Footsteps, pg. 25-28.
13. Kelley, pg. 130: "Two sorts of "humanism" have been considered in this book. One refers to the study of the humanities, the studia humanitatis, and the other to the study of humanity, humanitas, itself…".
14. Voor zover zij al geen theologie wordt.
15. Dit is dus een spoedcursus gymnasium.
16. Over het exordium De Inv. I.XV-XVIII.) "Exordium est oratio animum auditoris idonee comparans ad reliquam dictionem; quod eveniet si eum benivolum, attentum, docilem confecerit." (De Inv. I.XV.19) "...exordium in duas partes dividitur, principium et insinuationem. Principium est oratio perspicue et protinus perficiens auditorem benivolum aut docilem aut attentum. Insinuatio est oratio quadam dissimulatione et circumitione obscure subiens auditoris animum." (De Inv. I.XV.20)
17. Over de narratio De Inv. I.XIX-XXI.) "Narratio est ... expositio."
18. Mist men in deze opsomming van partes niet de "propositio"? Ik zou zeggen, eerst de narratio, dan de propositio en dan de argumentatio, enz. Cicero (De Inv. I.XXXVII) deelt de "propositio" in bij de "argumentatio".
19. Cicero spreekt van de "facultas" van de retor en het "officium eius facultatis" (I.V). De retorica als geheel noemt hij een "ars" (vaardigheid) en de studie ervan houdt zich bezig met de "materia artis". Deze materie behelst vijf "partes" (I.VI), maar als vaardigheid zijn het evenveel "facultates". Ik ben er niet zeker van dat Cicero goed onderscheid maakte tussen "facultas" en "materia" of, beter gezegd, tussen de studie of theorie van de retorica en de beoefening of praktijk ervan.
20. De "facultates oratoris" komen tot uitdrukking in de "oratio".
21. Cicero opent hiermee. Bij functie denkt men aan het systeem waarin de functie "fungeert". Bij Cicero is dit systeem de "civitas" en de retorica is dan ook (een deel van) de "civilis ratio". De beheersing van de retorica maakte iemand bekwaam "ad maximas res" (tot de belangrijkste zaken). Om het systeem te kennen moet men ook de andere functies kennen. De retorica stond bij Aristoteles, als functie, in ieder geval naast de "analytika" en de "dialektika". Van welk systeem waren dat functies? De "civilis ratio", die niet samenvalt met wat wij de filosofie noemen, maar ook niet met de "politieke wetenschap" of de "politiek", tenzij men in deze begrippen aanzienlijke wijzigingen aanbrengt. Meer dan deze ratio kenden de Grieken en Romeinen (tot en met Cicero en Quintilianus) echter niet. Franse schrijvers hebben om deze problemen te ontlopen (of op te lossen) gesproken van "het discours".
22. En van daar naar de behandeling der stijlfiguren.
23. Stembeheersing, gebarentaal, gelaatsuitdrukking e.d.
24. En theorieën van het geheugen en het memoriseren.
25. Het woord "dictator" is afgeleid van "dictare" dat oorspronkelijk alleen maar "dicteren" heeft betekend, maar gaandeweg, vooral na de 11e eeuw, de betekenis krijgt van wat wij onder schrijven verstaan. "Schrijven" was in de Middeleeuwen wat het nog is op de basisschool waar "lezen en schrijven" wordt geleerd, het leren maken van de lettertekens. Dat was de techniek die de "scribae" hanteerden. Zij "notuleerden" wat de dictator dicteerde of kopieerden handschriften. De dictator hoefde niet eens te kunnen schrijven in die letterlijke betekenis, maar moest kunnen dicteren. Daartoe kon hij een scholing krijgen in de "ars dictaminis", een techniek die was ontwikkeld uit de beginselen van de retorica. Zijn dicteren was derhalve een oratio die in principe door een scriba genotuleerd werd. Hoe onduidelijker de "dictator" zijn gedachten formuleerde, hoe meer creativiteit er van de scriba werd verweacht. Van het woord "dictator" is "dichter" afgeleid. Aangezien de dictatores vooral – juridisch geschoolde - functionarissen waren was het nieuwe dichterschap aanvankelijk in handen van dit soort mensen. De ambtenaar als grondlegger van het humanistische dichterschap!
26. De Carlo Sigonio uit de 16eeeuw van wie Kelley op pg. 75/6 zo’n mooi citaat geeft, noemt nog maar vier van de vijf door Kelley essentieel geachte vakken. Botticelli schildert in de 16e eeuw echter nog de zeven vrije kunsten met de dialectica als derde.
27. Notaris in Florence, later kanselier. Schreef o.a. "Li livres dou tresor", een encyclopedie in het Frans. Hem werd door Dante verweten dat hij zich niet op het veredelen van het "volgare" had toegelegd. Latini was niettemin een van de eersten die de "Ethika" van Aristoteles vertaalde en Cicero tot richtlijn voor het juiste gebruik van de taal nam.
28. Rechter in Padua, leider van de zg. "circolo padovana" waarin aan literatuur werd gedaan. Hij was volgens Ronald Witt de eerste die klassiciserende poëzie in het Latijn schreef en daarmee het humanisme inleidde. Het ontstaan van het humanisme zou hiermee precies kunnen worden bepaald, namelijk in 1266/7.
29. Mussato stamde uit de kring rond Lovato. Hij kreeg in Padua de lauwerkrans voor zijn toneelstuk "Ecerinis". Op het einde van zijn leven keerde hij zich af van de seculiere geest van zijn humanisme.
30. Petrarca was de eerste die een uitgewerkte theorie leverde voor het humanisme en er over filosofeerde. Hij schreef zowel in het Latijn als in het "volgare". Hij kritiseerde Cicero omdat deze zich niet beperkte tot een contemplatief leven, maar zich in de politiek mengde. Voor de geschiedenis van het humanisme is van heel groot belang geweest dat hij de seculiere versie van het humanisme die met Lovato, Geri en Mussato begonnen was, terugboog in een christelijke ideologie. Daardoor blokkeerde hij de ontwikkeling, maar dit is waarschijnlijk de reden waarom christelijke historici het humanisme graag met Petrarca laten beginnen.
31. Schreef de "Cronica" (rond 1340) over de geschiedenis van en het leven in Florence.
32. De grootste jurist uit de school der post-glossatoren of consiliatoren.
33. Humanist van de vierde generatie. Kanselier van Florence en groot bevorderaar van het humanisme. (Hij correspondeerde met half Europa over manuscripten en werkgelegenheid voor jonge humanisten.) In tegenstelling tot Petrarca, die hij overigens tot voorbeeld nam, voorstander van de "vita activa". Ontdekte o.m. in 1392 de Atticus-brieven van Cicero, een serie persoonlijke en daardoor uitzonderlijke brieven van Cicero. Schreef zelf vele ambtelijke brieven, de "De laboribus Herculis" en de "De nobilitate legum et medicinae". In het eerste ontwikkelde hij o.a. een filosofische methode die niet van de ratio uitgaat, maar van de muzen, d.w.z. de muzikaliteit. In het tweede onderzocht hij welke van de twee, de rechtsgeleerdheid of de medische wetenschap, de voorrang verdiende om tot de conclusie te komen dat het de rechtsgeleerdheid was, die zich immers met alle aspecten van het menselijke leven bezig houdt. Op het einde van zijn leven keerde hij zich, evenals Mussato, af van zijn eigen seculiere humanistische standpunten.
34. Schreef een vervolg op de "Cronica" van zijn broer Giovanni.
35. Humanist van de vijfde generatie. Opvolger van Salutati als kanselier van Florence en schrijver van "Della vita, studi e costumi di Dante" en van een "Vita di Petrarca". Verder schreef hij de "Ad Petrum Paulum Istrum Dialogus" waarin hij de theorie van het "ingenium" of "ingegno" uiteenzette.  Schreef ook een geschiedenis van Florence (1415), de "Historiarium Florentinarum Libri XII", de "Commentarius Rerum Suo Tempore Gestarum", de "De Romae Origine", de "De Bello Italico adversus Gothos" en tien delen "Epistolae Familiares". Bruni bracht de humanistische beweging terug in het oude, seculiere spoor, de "veterum vestigia vatum". (Witt hecht een sterk vernieuwende waarde aan zijn "Laudatio Florentinae urbis" (Lofrede op de stad Florence) die hij uitvoerig bespreekt in "Footsteps" en in "The Earthly Republic", waarin een vertaling in het Engels van de hele "Laudatio".)
36. 1402: "De ingenuis moribus".
37. Groot verzamelaar van manuscripten met antieke teksten.
38. Grondlegger van het humanistische onderwijs in Ferrara.
39. Grondlegger van het humanistische onderwijs in Mantua.
40. Schreef "Il libro dell’arte" (rond 1400), waarin hij o.a. gedetailleerd de al fresco-techniek beschreef. Zie http://www.noteaccess.com/Texts/Cennini/1.htm
41. Schreef de "De origine civitatis Florentie et ejusdem famosis civibus" (Over de oorsprong van de stadstaat Florence en zijn beroemde burgers) (rond 1400) en een vervolg op de "Cronica" van zijn vader Matteo en oom Giovanni.
42. Won de wedstrijd om de opdracht tot het maken van de bronzen deuren van het "Baptisterio" in Florence in 1401. Schreef "I commentarii", die zijn autobiografie bevatten en hem maakten tot de eerste kunsthistoricus (een eeuw voor Vasari); hij legde er ook getuigenis in af van zijn ideaal van humanistische opvoeding en cultuur. Met hem begint de Renaissance in de beeldende kunsten, iets later gevolgd door Brunelleschi (architect), Donatello (beeldhouwer) en Massaccio (schilder).
43. 1435: "Trattato del governo della famiglia" (de hoofdzaken van het maatschappelijke leven: het huwelijk, het familieleven, de opvoeding van de kinderen, de huishouding van het gezin, de verhoudingen tussen de verschillende families en het leven van de relatie in het algemeen; uitdrukking van het civiele - of civische - humanisme); 1452: "De re aedificatoria" (tractaat over architectuur); 1435: "De pictura", door hemzelf vertaald in het volgare: "Della pittura" (over de schilderkunst).
44. Florentijns humanist, jurist en politicus. Schrijver van o.a. "De dignitate et excellentia hominis" (1452) ("in dem unter Hinweis auf die großartigen Errungenschaften der antiken und besonders der zeitgenössischen Kunst, Kultur und Wissenschaft ein anthropozentrisches, die schöpferische Rolle menschlichen Denkens und Handelns betonendes Menschenbild dargeboten wird, das als eines der wichtigsten Dokumente einer aus antiken griechisch-römischen, christlich-patristischen, mittelalterlichen und alttestamentlich-jüdischen Quellen schöpfenden optimistischen, daseinsbejahenden Sicht des Menschen in der Frührenaissance und (neben einigen früheren Ansätzen wie denjenigen des Antonius Bargensis) als erste große Affirmation der Idee der Menschenwürde in der neueren europäischen Geistesgeschichte gelten kann." Dröge, C., in: Biographisch/bibliographisches KirchenLexikon, Band V, 1993).
45. 1435: "De vita civile". Evenals het boek van Alberti over de "famiglia" een uiting van secularisering van het denken.
46. Het grote voorbeeld van Erasmus. Schreef de "Elegantiae linguae latinae", was zeer kritisch over de kerk en bewees defnitief dat de zg.  "Donatio Constantini" waarin aan de paus van Rome de keizerlijke bevoegdheden werden verleend, een vervalsing was.
47. 1440: "De docta ignorantia" (Over de geleerde onwetendheid).
48. Florentijns leraar in de poëtika en de retorika. Opvoeder van Lorenzo de Medici.  Verspreider van de platonistische filosofie van Ficino. Schreef de "Disputationes camaldulenses" (1472), waarin hij o.m. het probleem van de verhouding tussen theorie en praktijk (de "modus vivendi" oftewel de manier van leven) aan de orde stelt. Over hem Grassi, pg. 81-85.
49.
Een van de leiders van de Platonische Akademie in Florence. Ging uit van overeenstemming tussen de platonische en de christelijke leer. Vertaalde Plato en schreef de "Theologia Platonica". ("Mit F.s Wirken als Übersetzer und Kommentator erreichte der Platonismus der Renaissance seinen Höhepunkt. Er verfaßte die erste vollständige Platonübersetzung in lateinischer Sprache (1462-1484), die bis ins 18. Jahrhundert maßgebend blieb. … Vor allem darin und in seiner Apologetik »De christiana religione« (1474) entwirft F. (bes. in Abgrenzung zum Averroismus) das Programm einer »divina sapientiae religionisque copula«, indem er Platonismus und Christentum zu einer »philosophica quaedam religio« verschmilzt." Raupp, W., in: Biographisch-bibliographisches Kirchenlexikon, Band XIV, 1998.)
50. Schreef de dialogen "Aegidius" en "Actius". Grassi, pg. 58: "Es ist G. Pontano, der nicht nur die Ursprünglichkeit des Problems des Wortes, sondern auch die Funktion des dichterischen Wortes in ihrer ganzen Tragweite betont." (Over Pontano uitvoerig: http://www.phil-hum-ren.uni-muenchen.de/SekLit/maRoick/(met bibliografie).)
51. Vertaalde de "Poëtika" van Aristoteles in het Latijn.
52. Angelo Ambrogini, bijgenaamd Poliziano. Schreef de "Lamia", o.a. over het "ingenium" of "ingegno". Zie Grassi, pg. 45v.
53. Schreef o.a. de "De hominis dignitate" (Over de menselijke waardigheid) (1486), vaak gezien als het manifest van het humanisme.
54. Florentijns diplomaat. Schreef o.a. "Il principe" (De vorst) waarin hij uiteenzette hoe een vorst het beste kan regeren. Bekend gebleven vanwege zijn "machiavellisme", maar was eer belangrijk als een van de grondleggers van de historiografie.
55. Erasmus van Rotterdam. 1503: "Enchiridion militis christiani", 1509: "Encomium stultitiae", 1516: vertaling van het nieuwe testament, 1516: "Institutio principis christiani" (ook een zg. vorstenspiegel, net als Machivelli er een schreef, maar van een heel andere strekking), 1528: "Ciceronianus", enz.
56. 1516: "Utopia".
57. Schreef "Le Vite de' pij eccell. pitori, scultori et archit," over de levens van de meest eminente schilders, beeldhouwers en architecten.
58. 1576: "Les six livres de la république" (waarin het begrip "soevereiniteit" wordt gedefinieerd); 1566: "Methodus ad facilem historiarum cognitionem" (Over de methode van gemakkelijke geschiedbeoefening).
59. Behoorde tot het Hollandse humanisme van de 17e eeuw, de zg. Elegante school. Schreef o.a. de "De iure belli ac pacis"(1625). (Zie Israel, pg. 565v.)
60. Zie over dit subjectivisme Walter Paatz, pg. 146-149.
61. Humanisme en kunst! N.B. De mythe van de verplichte "ongeschooldheid" van de kunstenaar in het zg. automatisme.
62. Hierover Witt, Footsteps, pg. 416 v., met verwijzing naar Baxandall, M., Giotto and the Orators: Humanist Observers of Painting in Italy and the Discovery of Pictorial Composition, 1350-1450, Oxdford 1971. Witt gaat zelfs terug naar een voor hem niet-humanist, Dante Alighieri. Bij Petrarca’s beschrijving van de bestijging van de Mont Ventoux verzuimt hij te vermelden dat Petrarca bevriend was met Simone Martini (1284-1344), de tijdgenoot van Giotto, die al veel oog voor de natuur had en naar de natuur werkte. Was nu Petrarca beVnvloed door Martini of Martini door Petrarca? Dat de literatuur, in de persoon van Dante, al perspectivisch keek, lijkt, gezien het 28e canto van de Paradiso, duidelijk. Dante citeert daar overigens vrijwel letterlijk uit de Metafysika van Aristoteles. Zie hiervoor het commentaar van Frederika Bremer bij Paradiso, XXVIII.
63. Deze ontwikkeling blijkt ook uit de vorming in Italië van een groot aantal rechtsfiguren die specifiek waren voor de handel en het zg. handelsrecht zijn gaan vormen. Zij regelden internationaal vervoer, bankwezen, chequewezen, verzekeringswezen, vennootschapswezen e.d.
64. Trouwens, de Republiek der Verenigde Nederlanden van de Gouden Eeuw was ook een koopmansrepubliek. Zij was niettemin ook "het land van Rembrandt", van Vondel en Hooft, van Hugo de Groot, van Heinsius, e.t.q.
65. Zie hierover Doody en/of Schmeling.
66. Of zie: Edited by A. Evans als La pratica della mercatura, Cambridge, Mass., 1936; Pegolotti's own title for his treatise is Libro di divasamenti di paesi e di misure di mercatantie. On this work, see J. K. Hyde, Society and Politics in Medieval Italy, New York, 1973, 158-64. On the education of medieval Italian merchants in the field of geography, see P. Gautier Dalche, "Une Géographie provenant du milieu des marchands toscans (debut XIVe siecle)," in Societa, istituzioni, spiritualita: Studi in onore di Cinzio Violante, Spoleto, 1994, 1, 433-43. Zie ook: Gautier Dalche (as in n. 47), 311; and U. Tucci, "Manuali di mercatura e pratica degli affari nel medioevo," in Fatti e idee di storia economica nei secoil XII-XX: Studi dedicati a Franco Borlandi, Bologna, 1977, 215-31. En in het bijzonder:
http://www.kweissen.ch/weissen%20-%202002%20-%20dove%20il%20papa%20va.pdf  (Alles overgenomen van Internet. De teksten van de gekopieerde link heb ik gedownload.)
67. Zie over de literaire mentaliteit van de humanisten ook Grassi (bv. over Giovanni Pontano) en Kelley. Beide schrijvers zeggen dat de humanisten zich met hun opvattingen over de taal keerden tegen de scholastieke filosofie waarvoor zij een "altera philosophia" ontwikkelden, een term die Mussato al had gebruikt.
68. Bepalen is van palen, d.w.z. grenzen voorzien. Het woord is letterlijk vertaald van het Latijnse "definire" dat is afgeleid van "finis" = grens. Bepalen is dus definiëren.
69. De dichter "bepaalt" niet in de letterlijke betekenis waarin de logicus dat doet. Hij omschrijft, duidt aan, probeert het halo van het ding mee te vatten. Hij beperkt zich dan ook niet tot het definieerbare. In zijn puurste vorm zou hij zich moeten beperken tot het ondefinieerbare. Overigens gebruik ik hier het woord "dichterschap" niet altijd in de specifieke van beoefenaar van de lyriek, maar soms in de meest algemene betekenis van "meest algemene taalgebruiker". "Het dichterlijke woord" waarover Grassi het heeft, is niet per se lyrisch, maar kan evengoed prozaVsch zijn, als het maar poëtisch is.
70. Het woord "humanisme" stamt uit de 19e eeuw. Het is afgeleid van "umanista" dat een activiteit of beroep aangeeft. In eerste instantie gaat het dus helemaal niet om een -isme.
71. Vertaald in het Nederlands als "De (sic!) geschiedenis van Europa".
72. Deze praktische beoefening van het humanisme door ondergetekende is minder opzienbarend dan men zou (kunnen) denken. Mijn titel daar was "redacteur". Tegenwoordig zou men mij waarschijnlijk "editor" noemen. Ik wil maar zeggen, men kan dit vak ook beoefenen zonder de pretentie een humanist te zijn of een middeleeuwse traditie voort te zetten.  Indertijd deed ik dat natuurlijk ook.
73. Een meer objectieve nabeschouwing is te vinden in Alexander Baumgartners "Die lateinische und griechische Literatur der christlichen Völker", 1905, pg. 643-4: "Der Traum, welchen die italienischen Humanisten des 14. und 15. Jahrhunderts genährt und welcher noch so viele Nachfolger beschäftigte, ging nicht in Erfüllung. Das alte Hellas und Rom standen nicht wieder vom Grabe auf. Die alte Sprache Latiums ward nicht wieder die herrschende Sprache der Poesie, diejenige Athens noch weniger. Ihr Streben und Ringen, ihr Schaffen und Mühen war indes keineswegs vergebens. An der Schönheit des alten Lateins, an den unübertrefflichen Vorbildern des klassischen Altertums schmiedeten sie das neue Idiom Italiens zu seiner Feinheit, Fülle und Vollendung, schulten sie ihren Geschmack, schufen sie jene neue Literatur, welche den übrigen Völkern Europas die Bahn wies, wie sie, in glücklicher Verbindung des antiken und des nationalen Elements, mehr lernend als nachahmend, mehr geniessend und selbstschöpferisch tätig als ängstlich suchend und forschend, neue Werke von klassischer Vollendung hervorbringen könnten. An der lateinischen und italienischen Renaissanceliteratur bildete sich dann im 16. Jahrhundert die spanische, die portugiesische und englische Literatur zur reichsten Fülle heran, gewann im 17. Jahrhundert sogar die holländische eine Blütezeit, entwickelte sich die spanische zu ihrem höchsten Glanze und gewann die französische jene Verfeinerung, welche sie für lange zur Richterin des Geschmacks machen sollte." En de Duitse?

Literatuur:
Burckhardt, J., Die Kultur der Renaissance in Italien, Basel 1860.
Grassi, E., Einführung in die humanistische Philosophie. Vorrang des Wortes, Darmstadt 1986, 1991.
Guépin, J.P., Het humanisme, 1350-1850, Baarn 1993.
Heidegger, M., Brief über den Humanismus, 1947.
Hyde, J.K., Society and Politics in Medieval Italy. The Evolution of the Civil Life, 1000-1350, Londen 1973, 1983.
Israel, J.I., The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall, 1477-1806, Oxford 1995.
Johnson, P., The Renaissance, Londen 2000.
Jones, P., The Italian City-State, Oxford 1997.
Kelley, D.R., Renaissance Humanism, Boston 1991.
Macadam, A., Florence. Blue Guide 1995.
Mout, N., red., Die Kultur des Humanismus, München 1998.
Paatz, W., De kunst van de Renaissance in Italië, Utrecht/Antwerpen 1953.
Reynolds, L.D., en Wilson, N.G., Scribes and Scholars. A Guide to the Transmission of Greek and Latin Literature, 3e druk, Oxford 1991. Dit is misschien de beste inleiding.
Rüegg, W., The Rise of Humanism, in: Rüegg, W., (ed.), A History of the University in Europe, I, Ridder-Symoens, de H., (ed.), Universities in the Middle Ages, Cambridge 1992.
Sloterdijk, P., Regeln für den Menschenpark. Ein Antwortschreiben zu Heideggers Brief über den Humanismus, Frankfurt 1999.
Ullmann, W., Individuum und Gesellschaft im Mittelalter, Göttingen 1974.
Witt, R.G., 'In the Footsteps of the Ancients'. The Origins of Humanism from Lovato to Bruni, Leiden 2000.

Koppelingen:
http://www.noteaccess.com/Texts/Cennini/1.htm, http://www.noteaccess.com/Texts/index.html (waar ook de tekst van Alberti, Leon Battista, On Painting)