De Losbladige
Laurier
eerste jaargang nummer een januari
1995
Manifest
door Ton Lenssen Azn
Zo, dit is mijn eigen blad. Ik kan erin schrijven wat ik wil. Geen gezever aan mijn kop van
uitgevers en redacteuren, geen wetenschappelijke "eisen" die aan mijn onderzoek gesteld
"moeten" worden. Free at last! Wat ik altijd gewild heb, een eigen blad, maar waar ik natuurlijk
het geld niet voor had, kan ik nu, dank zij de ontwikkeling van de computertechniek mooi
realiseren. Voor een paar duizend gulden koop je genoeg apparatuur om het grondrecht van vrije
menings- en gevoelensuiting, ook niet gehinderd door talloze economische belemmeringen, uit te
oefenen.
En nu de markt op? Voorlopig beschouw ik dit blad als een proeve van druktechniek. Het heeft
mij wat gekost om alle knepen van het tekstverwerken en printen onder de knie te krijgen. Ook
zo'n computer met de bijbehorende software is niet zo gemakkelijk in te regelen. Zo staat er in
het handboek bij mijn tekstverwerkingsprogramma dat je dit soort dingen "als folder" moet
drukken. Als je tekst echter een beetje aan de lange kant is, krijg je een onbegrijpelijk error-
bericht dat er ergens te weinig capaciteit is. Voordat je in de gaten hebt dat je dit oplost door in
de een of andere code drie lettertekentjes in te vullen heb je een aantal bezoeken van een
gefrustreerde installateur en wat telefoontjes - met muziek terwijl je een half uur wacht - met de
leverancier van de software achter de rug. Welnu, dat heb ik allemaal doorstaan. Ik weet wel dat
mij nog veel meer boven het hoofd hangt, - ik héb er uiteindelijk al negen jaar tobben opzitten, -
maar voor het ogenblik kan ik uitkomen. Ik kan dus nu mijn beginselverklaring afdrukken.
Beginselverklaring
Dit levert meteen een mooi tussen-kopje op. Ik had
het liever wat verder naar beneden gehad, maar dan moet ik de voorgaande
tekst uitbreiden. Ik vind die echter al lang genoeg. Een andere
mogelijkheid is het plaatsen van een tekstvak op de voorgaande pagina. Een
foto van mijzelf zou het ook goed doen. Aangezien mijn omzet echter nog
nihil is, heb ik mij nog geen scanner kunnen veroorloven, zodat ik niet
zou weten hoe ik die zou moeten opnemen. Afgezien daarvan ben ik net naar
de kapper geweest en is mijn haar momenteel zo kort dat het niet
representatief is. Ik bedoel, het is nu juist wel representatief, maar het
representeert mij niet. Door de bank genomen is mijn haar te lang, voor
representatieve maatstaven, maar ik vind dat juist prettig. Je moet toch
tegenwoordig wat uitleggen om nog verstaanbaar te zijn! Maar goed, ik
ontkom niet aan een beginselverklaring en die zal ik leveren ook. Zoals ik
al schreef streef ik met dit blad het doen van proeven met mijn
tekstverwerkings- en printtechniek na. Men moet natuurlijk ook iets te
verwerken hebben en daarom schrijf ik teksten. Als ik die van anderen
gebruik geeft dat weer gezeur over auteursrechten en ook daarvan wil ik
vrij zijn. Ik wil ook geen gedoe hebben over het literaire gehalte van
de gepubliceerde teksten. Zij zijn alleen maar geschreven pour besoin de
la cause. Ik heb al moeite genoeg met het tot stand brengen van deze
productie, laat staan dat ik ook nog goed Nederlands kan leveren. Wie
interessante tips kan geven voor de layout kan mij die doen geworden op
mijn emailadres. Dat staat in het daarvoor bestemde tekstvak, als ik dat
gemaakt krijg. Daarin komt ook mijn telefoonnummer en mijn kantooradres,
dat gewoon aan huis is. Zie dus vooral verderop. Natuurlijk streef ik wel
een verzorgd Nederlands na. Je kunt het niet hebben - ik ook niet trouwens
- dat je (mijn) werk er goed uitziet, maar er staat storend Nederlands in.
Ik heb trouwens in het verleden goed leren schrijven. "Je kunt goed
schrijven," zei onlangs een uitgever tegen mij, "maar je bent geen
schrijver." Een andere stuurde mij een brief met de mededeling dat ik "de
applicatuur van de roman niet onder de knie" had. Een hele fijne
post-modernistische zinswending, een splinternieuwe stijlfiguur waarbij de
vaardigheid van de hand wordt overgedragen op de knie. Ik begrijp nu hoe
sommige romans in dit land zijn geschreven: met de knieën. Of zie ik nog
steeds niet hoe het gaat? Is het misschien: óp de knie? Hoe dan ook,
bewezen is dat ik (goed) kan schrijven. Ik ben alleen geen schrijver.
Inderdaad, ik ben een drukker. Nu ik toch aan deze beginselverklaring
bezig ben, kan ik ook wel zeggen dat ik de naam van dit blad zelf
verzonnen heb. Voor wie er een beetje inzit, de applicatuur van de
naamgeving onder de knie heeft, is het allemaal gemakkelijk te begrijpen.
Dat dit blad "losbladig" wordt genoemd heeft niets van doen met het
post-modernisme waarin alles losbladig is, maar met belangrijke juridische
uitgaven, bv. de losbladige Kluwer. De aanwezigheid van het woord
"laurier" in de naam lijkt mij zo voor de hand te liggen dat ik mij bijna
schaam om haar uit te leggen. De laurier was de heilige boom van de
Romeinen en zowel de naam "Lenssen" - die vroeger "Laurenszoon" moet
hebben geluid - als de term voor de dichterkroon is ervan afgeleid. Verder
is de Lauriergracht hier vlakbij, hoewel nr. 37 niet meer bestaat. Men
merkt, hoop ik, dat ik mij niet overgeef aan goedkoop succes. Ik heb al
minstens drie gelegenheden om mij over dingen - misstanden in de
uitgeverswereld bij voorbeeld - kritisch uit te laten voorbij laten gaan. Daar is mijn blad
niet voor bestemd. En men zou kunnen menen dat ik met een frustratie zit.
Dat is ook wel zo, maar ook die wordt verderop geventileerd. Ik gebruik dit "verderop" om het spannend te houden. Het is dus een literaire truc of, om met de
literatuurwetenschap te spreken, een kunstgreep. Ik vind dat ik die mag toepassen al heb ik dan
ook geen literaire pretenties. Het komt je blad alleen maar ten goede.
Inhoud
Na deze beginselverklaring lijkt het mij nuttig
iets te zeggen over de te verwachten inhoud. In de grond kan het mij
eigenlijk niet schelen wat er in dit blad komt te staan. Als ik maar -
goed verzorgde Nederlandse - tekst heb. Nu heb ik in het verleden zelf
heel wat geschreven, zelfs gepubliceerd. Ik bedoel niet die roman die
zonder dat ik de applicatuur van de roman onder knie had, door mij aan een
uitgever is aangeboden. Die is geweigerd, dus die telt niet. Andere echter
zijn niet aangeboden en dus ook niet afgewezen, die kan ik rustig
gebruiken. En dan heb ik er nog een heleboel die wel geaccepteerd zijn.
Mijn "opera omnia" zogezegd. Een heel oeuvre, het virtuele deel erbij
inbegrepen. Ook hierbij maak ik gebruik van de voordelen van de
computer en zal eenvoudig een aantal van door mij vervaardigde files in
dit blad opnemen. Opdat u weet wat u te wachten staat, volgt hier een
lijst van files (bestanden). ...... Dat lukt dus niet. Ik had gedacht
dat ik de bestandslijst uit de betreffende directory kon kopiëren, maar er
blijkt alleen maar een faciliteit "afdrukken" te zijn. Nu goed, het kan
natuurlijk net zo goed blijken uit de volgende nummers. Ik kan hier
meteen iets zeggen over mijn policy. Hoe denk ik dit blad te verspreiden?
Mijn bedoeling is alleen maar een aantal nummers te maken, d.w.z. vol te
schrijven en te drukken. Ik heb drie maal in mijn leven een blad
uitgegeven en kan het niet laten er nog een vierde aan toe te voegen. Ik
ben ook journalist geweest en corrector. Verder heb ik een brede
belangstelling zoals zou blijken uit de lijst van onderwerpen die ik zou
hebben verschaft als mijn tekstverwerker het kopiëren van de
bestandenlijst van de directory "Laurier" zou hebben toegelaten. (Allemaal
"zou"en, ik weet het wel, maar ik vraag u net als Thorbecke: "Wacht op
onze daden.") Wat mij derhalve interesseert dat is het "maken" van een
blad. Of het gelezen wordt laat mij koud. Ik zal hier en daar, bv. op de
leestafel van de sociëteit "v/h Arti et jurisprudentiae" in Amsterdam, een
exemplaar laten liggen en dat zal mijn reclame zijn. Ik zal niet, zoals
Julius Vischjager, met het blad gaan leuren. Het moet zichzelf
verspreiden. Een liberaal standpunt, zoals men ziet.
Nu ik toch
Namen
noem (een tussenkopje kan hier nog net en rijmt goed met die puntjes in de andere kolom), kan ik er nog een aantal
aan toevoegen. Ik ben namelijk van plan naast mijn eigen naam pseudoniemen te gebruiken. Als er dan ook onder
een artikel een keer "W. Kok" of "F. Bolkestein" staat, weet u waar u aan toe bent.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben ingelicht en verblijf met de meeste hoogachting,
W. Bolkestein (Fzn).
En dan kan ik nu beginnen aan
De inhoud
door Ton Lenssen
Als ik mijzelf moest geloven, zou de inhoud van
dit blad een volkomen willekeurige zijn. Als het maar tekst is. Daarmee
heb ik echter een probleem, misschien wel twee. Weliswaar leef ik voor
mijn gevoel een volkomen willekeurig leven en zou ik dienovereenkomstig
kunnen schrijven - "le style c'est l'homme" en zo - maar ik weet zelf ook
verdomde goed dat mijn leven helemaal niet zo willekeurig is. Van de
andere kant is het ook niet mooi geregeld. En ziedaar het ene probleem.
Als mijn leven niet rationeel en ook niet hoe heet dat? occasioneel?
verloopt, hoe dan wel? En wat zou de beantwoording van die vraag aan orde
of systeem in mijn schrijverij opleveren? In ieder geval ben ik
onderworpen aan een zekere pathologische gedrevenheid. En dat is het
tweede probleem. Heel ouderwets, eind negentiende eeuws of zo, maar
behoorlijk reëel. Het zal dus toch allemaal vrij bepaald worden en
bovendien gefixeerd. Wel, het zij zo. Ik ben in ieder geval blij dat
ik nog niets heb prijsgegeven. Ik zou eigenlijk het liefste hebben dat dit
het tiende nummer was. Of het drie-en-twintigste. Niet omdat het dan al zo lang
zou bestaan, maar omdat mijn eerste
zin dan achter de rug zou zijn. Ik geef dat gerust toe. Ik weet natuurlijk
heel goed dat een blad zichzelf met zijn
eerste nummer presenteert en dat het meteen moet pakken.
Het (post-)modernisme
Het enige nieuwe blad dat momenteel recht van
bestaan zou hebben, zou moeten openen met een artikel over de situatie na
het post-modernisme. Daar wil ik het dan ook over hebben. Niet dat ik vind
dat daar veel over te melden is: de situatie na het post-modernisme wordt
beheerst door de afwezigheid van de avant-garde. Deze uitspraak is minder
vanzelfsprekend dan zij lijkt. Ik bedoel ermee dat de beweging die
zichzelf zag en afficheerde als de avant-garde, geschiedenis is geworden.
Is ook dat een platitude? Maar wij zijn er toch maar mooi klaar mee. Wij
hebben het niet meer nodig. Het is geslaagd. Zo ligt het. Ik sprak
trouwens nooit van het "post-modernisme", maar altijd van het
"(post-)modernisme". Daarin had ik tot uitdrukking gebracht dat het
eigenlijk ging om het modernisme waarvan de laatste decennia een nasleep
waren. Voor mij lag het probleem daar niet. Het begon al in de vorige
eeuw. Of nog eerder. In de elfde. Maar daar kom ik nog op. Fransen zeggen
graag dat het modernisme begon met Baudelaire, maar hier in Nederland
kenden wij al vóór 1848 een protestantse theologie die zichzelf zo
benoemde. En tegen het einde van de eeuw een katholieke. Jan en Annie
Romein besteden er een heel, slecht gecomponeerd, hoofdstuk aan in hun
"Lage landen bij de zee" en wijzen daarin op modernistische ondernemers,
Sarphati bij voorbeeld. Als je je dan niet teveel laat leiden door de
opmerkingen van bijziende literatuurhistorici, begrijp je dat het
modernisme de strijd was met de in de 19e eeuw nog voortdurende
heerschappij van de christelijke moraal, die de hypocrisie van de
bourgeoisie was. En die strijd is thans voltooid. Of niet? God, ik weet
het ook niet. Het CDA bestaat nog steeds. En wat is nou "paars"? Misschien
heb ik zelf, met een paar anderen, de modernistische strijd gestreden en
is dat alles wat ik ervan kan zeggen. En nu? Ik wil gewoon schrijven. Ik
kan het niet laten. Ik heb een pathologische behoefte aan taaluitingen. En het kan
mij niet schelen waarover. Ik schrijf net zo graag over de ontwikkeling van
het grondwettelijke recht in Nederland
als over de Tachtigers. De gangbare indeling in literaire en niet-literaire
teksten zegt mij niets. Wat men "belles
lettres" noemt, kan men vaak van mij cadeau krijgen als ik een goede biografie of een helder historiografisch
overzicht, bv. van Ernst Kossmann, of een politieke rede, zeg van Thorbecke, onder ogen heb. Hoeveel filosofie of
wetenschap van de koude grond wordt ons in romans niet geserveerd? Hoe vaak komen vooral Nederlandse
schrijvers ons niet pagina's lang vervelen met de mededeling dat zij het wiel hebben uitgevonden? Dan hebben zij
zich "verdiept" in Schopenhauer of Nietzsche of Heidegger. Alsof zij filosofen zijn. Geef mij maar een echte
filosoof. Die zijn al schaars genoeg.
Romantisch realisme
Al met al laat ik mij toch behoorlijk in de kaart
kijken. Welnu, ik beken graag dat ik mij op mijn vijftiende een paar
nachten lang heb laten meeslepen door "De leeuw van Vlaanderen". In mijn
geboortedorp stonden de resten van een middeleeuws kasteel, uit de 12e
eeuw. Een Limburgse navolger van Conscience had een toneelstuk geschreven
over de heer van die burcht, dat "De vadermoorder" heette en jaarlijks
door de plaatselijke toneelvereniging, "Vondel" genaamd, werd opgevoerd.
Ik wist dus alles van de Middeleeuwen. Later heb ik van de dorpsarcheoloog
begrepen dat het stuk in de 18e eeuw speelde en dat er van een moord geen
sprake was geweest, maar die man was een nare Wistik en begreep even
weinig van het romantisch realisme als hedendaagse literatuurhistorici die
niet alleen de "vorigen" napraten maar dat ook nog doen op de geremde toon
van studenten voor wie de 19e eeuw verplichte literatuur was. Kortom, ik
ben zelf nog een romantisch realist geweest. Dat kon nog net op het
einde van de veertiger jaren. Het "ontluisteren" beviel mij helemaal niks.
Ik had de "Camera obscura" en "Ferdinand Huyck" immers nog niet
gelezen. Ik realiseer mij dat ik verval in een auto-genealogie. Wel, ik
wilde alleen maar kwijt dat ik van gisteren ben. Anderzijds waren de
"Vijftigers" en de "ontluisterende roman"- evenals de nozems, jazz,
nikkelen autobumpers, spuuglokken, rock'n roll, de film - mijn kennismaking
met het "modernisme". Van die bewegingen uit heb ik mijn weg terug in de
geschiedenis gezocht. Al deconstruerende. Op het ogenblik ben ik hevig
gefascineerd door de ontwikkeling van de Europese literatuur in de 11e en
12e eeuw. In de tussentijd heb ik mij nog met een paar andere dingen bezig
gehouden. Over een aantal daarvan zal ik het zeker hebben. Zo heb ik
een tijd lang de rechtsgeschiedenis beoefend. Dát is een mooi vak! Een van
de oudere corifeeën ervan schreef dat het recht het leven zelf is, gezien
van een bepaalde kant. Daarnaast kun je het leven nog zien van andere
kanten en dat is een gedachte die ik prachtig vind. Men moet daar in de
literatuur nog achter komen. De nieuwste literatuurwetenschap meldt dat
men de literatuur ook sociologisch en psychologisch kan bestuderen, maar
niet dat de letterkunde zelf sociologie, psychologie en een aantal andere
optieken bevát. Geen wonder dat er een gigantisch probleem is met de
verhouding tussen literatuur en werkelijkheid. Goed, alweer een kat naar
de literatuur. Ik verontschuldig mij niet. Maar ik wil ook niet ontmaskerd worden als een
realist. Ik wil schrijven, verslag doen van wat ik onderneem en vind. Zoals ik al zei.
Waar gaat het om?
door Ton Lenssen
Niets meer of minder dan deze vraag wil ik
beantwoorden. Ik bedoel niet waar het bij dit blad om gaat, maar heel in
het algemeen. Dit blad is uiteindelijk alleen maar een heel klein
schakeltje in de "great chain of being" en de vraag is waar het daarin om
gaat. De Grote Metafysische Vraag (GMV). Waar gaat het om? Waar gaat het
om in het leven? Dat is natuurlijk een veel beperktere vraag, maar kunnen
we wel een algemenere stellen? Of is een ruimere vraagstelling wel
interessant? Misschien gaat het in het leven wel om iets anders dan het
leven, bij voorbeeld om het voortbestaan van de ziel of om het vraagstuk
van de reïncarnatie. Wel, daar weet ik dan helaas niets van. De
naastbestaande van wie ik een aantal jaren geleden nabestaande werd, heeft
mij daarover ook nog niets kunnen meedelen. Maar ook zonder te willen
doordringen in die contreien is het al moeilijk genoeg. Een definitie van
het leven is immers niet het leven zelf en je vraagt je dan ook af waar
zij tot stand komt of dat zij misschien helemaal niet tot stand kan
komen. Inderdaad, wat begrijpen wij van het leven? Is er nog iemand die
serieus over "de zin van het leven" wil nadenken? Ja, Paul Tiedemann. De
"Wissenschaftliche Buchgesellschaft" te Darmstadt publiceerde in 1993 een
"Sonderausgabe für die Mitglieder" van de hand van die denker onder de
titel "Über den Sinn des Lebens". Het is dus wel degelijk zo dat serieuze
schrijvers, uitgevers en lezers zich met dit soort vragen bezighouden. Die
"Buchgesellschaft" is niet de een of andere -sofische of scientologische
club. Goed, zij is nogal conservatief, maar zij brengt dan ook in haar
assortiment de klassieken van de west-europese wetenschap, vanaf de
voor-socratici. Een catalogus beslaat een kleine 500 bladzijden. Hoe dan
ook, voor rond vijftig gulden kan men een vertoog over de zin des levens
aanschaffen van 300 bladzijden waarbij de schrijver ook nog eens 13
pagina's literatuur verstrekt waarin men als lezer zelf kan nagaan of hij
het wel goed zegt. Ik geloof dat ik aan dit boek hier nu maar eens een
bespreking wijd. Ik ben nu toch bezig. Het boek is mij een beetje
opgedrongen. Uit mijzelf zou ik het nooit hebben aangeschaft. Ik had
echter in 1994 nog helemaal niets besteld en dan wordt je "zur Erfüllung
der Bezugspflicht die jeweilige Jahresreihe der "Besonderen
Wissenschaftlichen Reihe" übersandt". Het staat er echt zo, compleet met
hoofdletter "W" waar het ook in het Duits niet hoeft. Ik behoor dus zeker
ook tot die mensen die niet meteen grijpen naar een boek over de zin des
levens. Waarschijnlijk heb ik dat van Ter Braak, maar dat doet er niet
zoveel toe. Wat ik altijd interessant vind aan zulk soort boeken dat is
de inhoudsopgave en de literatuurlijst. Als de laatste ontbreekt, begin ik
er niet aan. Zoals ik al schreef, beslaat zij in dit geval 13 bladzijden
en dat vind ik heel bevredigend. Wie komen er allemaal in voor? Hier
Huizinga. Homo ludens. Dat geeft nog meer vertrouwen. Het zou de enige
titel kunnen zijn die niet in het Duits is vertaald. "Vom spielenden
Menschen"? Voor de rest zijn alle genoemde werken, en "Homo ludens"
waarschijnlijk ook, in het Duits uitgegeven, ook Aristoteles, Austin,
Ayer, Bentham, Buytendijk, Cardinal, Descartes, Eliade, Epicurus,
Feyerabend, Gellner, de "Federalist Papers", Hart, James, Kierkegaard,
Laing, Lakatos, Mead, Moore, Pareto, Parsons, Peirce, Piaget, Plato,
Popper, Rawls, Rousseau, Russell, Sartre, Seneca, Whorf, om maar eens een
paar mij bekende niet-Duitse deskundigen op dit gebied te noemen. Verder
ritselt het natuurlijk van heren - en een heel enkele dame - als Kant,
Hegel, Nietzsche, nee, Schopenhauer niet, maar ja dat was een pessimist.
Best een mooie lijst dus. Veel juristen staan er tussen. Juristen over
de zin des levens? Daar moet ik nog eens op terugkomen en niet alleen
omdat Tiedemann zelf van huis uit een jurist is. Juristen hebben vaak heel
interessante dingen te melden over onderwerpen waarover men van hun kant
niets verwacht. Goed, deze houd ik dus in petto. Voordat ik de
inhoudsopgave verklap maak ik nog melding van de ondertitel van het boek:
"Die perspektivische Lebensform". Als je dit in een adem met de titel van
het boek leest, zoals iedere lezer zal doen, heb je het gevoel dat je van
de ene soort gedachte op de andere komt en dat er dus sprake is van een
zekere inconsistentie. Of niet? Wel, ik voel het zo. Denk er maar eens
over na. Het boek bestaat uit vijf delen: theologiek, epistemiek, ethiek, politiek en mystiek. Dat ziet er allemaal bekend uit,
afgezien van die "theologiek". Dat is die filosofische discipline die zich als thema de vraag naar de zin van het leven
heeft gekozen. Een mooie gedachte waarmee wij van de theologie in de beperkte, d.w.z. christelijke vorm die zij tot
voor 25 jaar nog had, af kunnen komen. Een goddeloze theologie dus, een deskundigheid op het gebied van "alles
Unfassbare, Mächtige und Gewaltige, das für ein gelungenes Menschenleben von Bedeutung ist". Waarom niet? Ook
als God dood is, is er nog een hoop Ongrijpbaars, Machtigs en Geweldigs (OMG) van betekenis. Ik zal het er zeker
nog wel over hebben, maar niet nu. Ik heb toch al zo weinig te melden en het beetje dat ik heb, moet ik uitsmeren
over verschillende nummers. Dus: wordt vervolgd.
Dan nu iets geheel
anders
door Ton Lenssen
"Abwechslung muss sein." Nietwaar. Ik wou iets
zeggen over de Nederlandse literatuur (dNl). Heel bescheiden en
onopvallend, want ik weet er niet veel van, en dus zonder speciaal
hoofdje. Het belangrijkste dat ik over dNl te zeggen heb is dat zij zo
weinig politiek is. Ik loof een fles goede wisky uit voor de signalering
van een, laten we zeggen sedert 1879 in het Nederlands geschreven
politieke roman. Hetzelfde geldt trouwens voor de Nederlandse juridische
of de economische roman. (Ik bedoel die bestaat ook niet en ik loof
dezelfde prijs uit.) Wat is dat toch dat onze schrijvers daar niets van
terecht brengen? Zo gauw ze een politicus of een ondernemer of een jurist
als personage kiezen beginnen ze hysterisch te giechelen alsof ze
gekieteld worden en zetten zich ogenblikkelijk aan het schetsen van een
karikatuur. Ook van dominees weten zij alles af. Zij hebben in de
tachtiger jaren van de vorige eeuw al afscheid genomen van de
domineespoëzie en in de dertiger jaren nog eens van domineesland, maar
mij is geen enkele roman bekend waarin nu eens een mooie dominee wordt
ontwikkeld. De katholieken hebben daar meer van terecht gebracht met hun
Vlaamse en Brabantse pastoors. Ook geen meesterwerken, maar dat kan mij
voor het ogenblik niet veel schelen, omdat de pastoors mij niet kunnen
schelen. Die ondernemers, politici, bestuurders en juristen echter
wel. K. Poll schrijft ergens dat Multatuli een verderfelijke invloed
heeft gehad op de hele op hem volgende literatuur en dat ben ik roerend
met hem eens. Sindsdien is de literaire lucht vol van geween en geknars
der tanden over allerlei Kosmisch Onrecht, den schrijver persoonlijk
aangedaan. Douwes Dekker had dan nog het voordeel dat hij zich met zijn
aanklachten tot de koning kon wenden, maar onze schrijvers moeten het doen
met "het hemelsche gerecht" en met "ten hemel schreien". Wat wordt er niet
allemaal "aangeklaagd", "aan de kaak gesteld", "centraal gesteld", en
alles geadresseerd aan degene die de schoen past. Misschien had men dat de
laatste 20 jaar nog kunnen verantwoorden met verwijzing naar de snelle
wisseling van kabinetten, maar men heeft bv. twaalf jaar de gelegenheid
gehad zich tot een en dezelfde Lubbers te wenden. Dus dat excuus is flauwe
kul. Zou het toch zo zijn dat dit land, ondanks alle decalvinisering, nog
steeds gelooft in de "soevereiniteit Gods"? Dat doet mij denken aan de
uitspraak die Kundera over de wijsheid van de roman deed: die bestaat in
"God's laughter". Je staat daar bij eerste lezing niet zo bij stil, ziet
het aan voor een aardig beeld, een metafoor. Maar dan ineens begrijp je
dat onze schrijvers de mediamieke instrumenten zijn waarmee godzelf zijn
mond vertrekt. Ternauwernood hebben zij de middelbare school voltooid en
zijn zij ingeschreven aan de universiteit of zij worden al ontdekt in
"Propria Cures" (wat betekent dat toch? zo iets als "proper kuren"?),
smijten hun wetenschappelijke vorming in het glaasje en laten zich
promoten. Geen wonder dat er alleen maar eigenpeuterijen en zg. sociale
aanklachten uitkomen. En dan, want ik ben mij nu toch aan het ergeren,
die discussie over de vraag of de roman al dan niet geëngageerd moet zijn.
Niet natuurlijk. De roman moet gewoon op zijn manier uitbeelden, maar dan
wel alles wat er in de maatschappij voorvalt, dus ook in de economische,
politieke, juridische, bestuurlijke sectoren. Dat heeft toch niks te maken
met engagement? Volgens mij is het gewoon werk. Ik bedoel de taak van de
schrijver. Engagement is bevlogenheid. Dat hebben we niet nodig. Wel
beelden. Ik heb eigenlijk de neiging hier mutatis mutandis het paarse
program aan te roepen: beelden, beelden en nog eens beelden! Ik loof twee
flessen wisky uit voor een roman over een personage dat gemodelleerd is
naar a. Van den Nieuwenhuizen b. Bolkestein c. Mosckowiz d. Tjeenk
Willink. Men mag voor de eerste ook Timmer nemen, voor de tweede Kok of
Van Mierlo (als het maar niet Van Agt is), voor de vierde In 't Veld of
zo. Kortom, het is mij om het even, als er maar eens zo'n roman geschreven
zou worden. En dan niet zoals Bordewijk "Karakter" schreef. Als
karakterstudie is dat boek misschien wel geslaagd, - nee, ook niet, het
heeft helemaal niks met karakterologie te maken - maar het is geen
juridische roman, net zo min als "Advocaat van de hanen". Als er in een
roman een of meer advocaten voorkomen is hij daarmee evenmin een
juridische roman als wanneer er in een psychologische een psychiater
voorkomt. Welnu, wie wil die twee flessen wisky verdienen? Misschien
praat ik intussen wel veel te veel. Ik moet ook letten op een beetje
fatsoenlijke inhoud. Nu ik toch bezig ben - en in mijn rol groei - kan ik
er ook naar streven het goed te doen en o.a. mijn tijd niet verbeuzelen.
Zo moet ik natuurlijk de inhoud afwisselen. Ik heb nog wel een paar
aardige dingen, maar ik weet niet of ik er nu al mee moet komen. Voor je
het weet heb je jezelf uitgeput. Zo zit ik nu alweer te popelen om nog
het een en ander toe te voegen aan mijn bespreking van het boek van
Tiedemann. Dat is weer die dwangmatigheid van mijn schrijverij. Ik had er
in een later nummer op willen komen, maar zie dat ik het hier al niet kan
laten. Ik realiseer mij namelijk dat ik helemaal niet heb uitgelegd dat
Tiedemann het niet heeft over de vraag óf het leven zinvol is, hij zet
uiteen wélke zin het heeft. Zoals ik al schreef, - of heb ik dat vergeten?
- is het onmogelijk om bij het leven de vraag te beantwoorden of je er wel
iets aan hebt, en erna omdat er dan niets meer is dat zo iets kan
vaststellen. Ja, die mensen die voortleven, met hun onsterfelijke ziel in
het hiernamaals, die kunnen dat wel. Die kunnen een standpunt buiten het
leven innemen. Tiedemann heeft het hier niet over en ik moet aannemen dat
hij het leven als zodanig zinvol vindt. Hij zegt ook niet dat hij in een
situatie is gekomen waarin het leven voor hem zinloos is geworden, bij
voorbeeld werkeloosheid of blijvende arbeidsongeschiktheid of
liefdesverdriet of "Weltschmerz". Toen ik het boek voor de eerste keer
inkeek, dacht ik dat het daarover zou gaan. Dat kwam natuurlijk omdat ik
mijzelf vaak afvraag of het leven wel enige zin heeft en soms vind ik van
niet. Ik was nieuwsgierig hoe iemand anders dit aanpakt. Weliswaar had die
man er een boek over geschreven, zodat aangenomen mocht worden dat hij
geen zelfmoord had gepleegd, maar ook de jonge Werther heeft een boek
geschreven over zijn tribulaties. Nu ik het er toch over heb, ik vind
zelfmoord niet de logische consequentie van het oordeel dat het leven
zinloos is geworden. Wel van het gevoel dat men door het leven beet is
genomen. Men wil het dan uit woede vernietigen. Maar dan kent men het een
zekere zin toe. Als men echter aan het leven helemaal geen zin toekent,
eist de logika dat men zich weg laat glijden in het "Russische fatalisme"
dat Nietzsche in "Ecce Homo" bedoelt: "den russischen Fatalismus, jenen
Fatalismus ohne Revolte, mit dem sich ein russischer Soldat, dem der
Feldzug zu hart wird, zuletzt in den Schnee legt". Nietzsche had dat zelf
ook gedaan toen hij, in 1879, op het dieptepunt van zijn vitaliteit was
aangeland. Het resultaat dat hij boekte, was zijn "Freiheit vom
Ressentiment". Is dat niet prachtig? Op het moment van zijn geringste
vitaliteit keert de wal het schip, neemt het leven zelf het van de wil tot
leven over. Het bewijst zichzelf. Dat het geen ondersteuning van het
levende wezen nodig heeft, maar dit integendeel draagt. Als je ervan af
wil, moet je het inderdaad vernietigen. "Waarom ik zo wijs ben," had
Nietzsche boven dit hoofdstuk geschreven. Over dit alles, hoe wijs ook,
heeft Tiedemann het dus niet. Hij zegt dat er in de wereld een stel
"Sinnkonzepte" zijn. Daar kun je uit kiezen. De mensen zijn daarop gekomen
door interpretatie van het bovengenoemde OMG. Het is wel leuk als je
daarover nadenkt. Die "O" staat immers voor het "ongrijpbare" en dat staat
uiteraard tegenover het "grijpbare". Voor de Grieken was dat het fysieke
en het ongrijpbare was het "meta-fysieke". Zo'n kennis van het
ongrijpbare, verkregen door interpretatie, is dus de metafysika. Ik weet
niet waarom hij dat niet zegt, - misschien om niet voor een metafysicus
gehouden te worden, - maar het komt allemaal toch weer hierop neer. Niet
dat ik er iets op tegen heb, ik schrijf alleen maar teksten. Die
"Sinnkonzepte" zijn dus metafysische schema's, karteringen van de
achtergronden van het grijpbare leven, kosmologieën die hun eigen
ikonografie hebben, zoals die van de polytheïstische wereld van Odysseus.
Erg mooie literatuur. Ik kan niet ontkennen dat ik dit allemaal
fascinerend vind. Ook die gedachtengangen van Nietzsche, waar ik nu
terwille van de goede schrijforde - in dit geval de porportionele
verdeling van mijn onderwerpen over mijn teksten - niet te lang bij mag
stilstaan. Wat, een modieuze filosofie? Voor mij niet. Ik ken die man al
zo lang. Mijn vader was in 1944, - een enkele autobiografische opmerking
mag ik toch wel slijten, in mijn eigen blad, - gemeente-ontvanger en als
zodanig beheerder van de distributiebonnen. Die lagen opgeslagen in de
brandkast van het gemeentehuis. Ik kwam daar, acht jaar oud, veel en keek
dan uiteraard veel meer naar de stapeltjes geld, maar ik herinner mij de
bonkaarten nog heel goed. Op een nacht werd mijn vader door de illegalen
van zijn bed gehaald en meegenomen naar het gemeentehuis waar hij de
bonnen moest overgeven. Die waren voor onderduikers. Toen het karwei
geklaard was, werd mijn vader gechloroformeerd, zodat de Duitsers zouden
menen dat hij tot dat overgeven gedwongen was. Weer bij bewustzijn gekomen
werd hij inderdaad door de bezetters meegenomen en in het huis van
bewaring vastgezet. Voordat het zover was, kwamen twee mooie vooroorlogse
BMW's bij ons voorrijden waaruit gewapende soldaten sprongen die ons op
afstand hielden, en twee mannen in burger. Die betraden ons huis om
huiszoeking te doen. Het waren Gestapo's. Mijn moeder heeft altijd beweerd
dat zij zich keurig gedragen hebben en voor mij waren zij dus niet
helemáál boeven. Zij heetten Nitsch en Ströbl. Twaalf jaar later, maar
blijkbaar nog weinig minder onnozel, zag ik in Utrecht in een uitverkoop
een Duits boek liggen, geschreven door een zekere Nietzsche en ik was
meteen nieuwsgierig wat zo'n Gestapo-man te schrijven kon hebben. (Let
wel, ik wist niet dat zijn naam als "Nitsch" geschreven werd.) Het boek
heette "Also sprach Zarathustra". Ik kon een hele tijd niet begrijpen dat
het door een Gestapo-man was geschreven. Die mensen konden zich blijkbaar
toch ook goed gedragen. Zeg mij dus niet dat ik omgang heb met modieuze
filosofen. Genoeg hierover. Denk aan de twee flessen wisky!
Over het schrijven
door Ton Lenssen
Ik moet nu onherroepelijk iets schrijven over het
schrijven. Terwijl ik maar doorkalk, in de veronderstelling dat ik niet
meer ben dan een experimenterende drukker, realiseer ik mij steeds meer
dat men niet zomaar kan schrijven. Men doet bij voorbeeld een keuze uit
onderwerpen en krijgt daardoor een bepaald gezicht. Zo verraad ik mij
natuurlijk met mijn keuze voor "het metafysische vraagstuk" of voor "de
Nederlandse literatuur". Tenminste, als het hierbij zou blijven. Daar heb
ik echter helemaal geen zin in. Ik wil over alles kunnen schrijven. Ik zit
daarbij met het verdict van die uitgever die mij schreef dat ik wel kan
schrijven, maar geen schrijver ben. Wanneer is men een schrijver?
Blijkbaar niet al als men kan schrijven. Er is meer nodig dan dat alleen.
Is dat niet intrigerend? Laat ik eerst eens de eerste vraag stellen:
wanneer kan men schrijven (ook al is men geen schrijver)? Duizenden
jongelui komen elk jaar aan de universiteit aan, hebben hun vwo achter de
rug, maar kunnen niet schrijven. Wat gek! Hoe was het ook weer? Op de
basisschool leer je schrijven, d.w.z. letters maken. Losse letters hebben
geen betekenis. Zij krijgen die pas als zij zijn samengevoegd tot woorden.
Leren schrijven leert dus niet meteen met taal omgaan. In de Middeleeuwen
waren er in de kloosters talloze schrijvers die wel letters konden maken,
maar niet konden lezen, dus niet wisten wat zij schreven. Zij kopieerden
latijnse teksten die zij zelf niet konden verstaan. Daarom maakten zij
nogal eens fouten. Dat hoefde natuurlijk niet. Een fotokopieerapparaat kan
ook niet lezen, maar kopieert feilloos. Die middeleeuwse monniken konden
dus schrijven, waren zelfs schrijvers, maar konden niet lezen. Ik heb het
al een stuk verder gebracht: ik kan schrijven én lezen (maar ben - toch? -
nog geen schrijver). Ik kan dus dingen schrijven waarvan ikzelf de
betekenis ken. Ben je niet schrijver als je dit de hele dag doet? Nee
hoor. Allereerst dit: je bent schrijver voor een uitgever, voor een
lezer(spubliek) of voor jezelf. Voor jezelf ben je al heel wat als je een
dagboek bijhoudt. Je zou het daarbij kunnen laten - en een schrijver zijn
- als je het in publikabele vorm zou schrijven. En daar heb je het
kriterium: het publiceren. Een schrijver is eigenlijk een publicist. Ons
woord is dus bedrieglijk. En toch is dit het ook nog niet. Niet
iedereen die publiceert is schrijver. Journalisten publiceren ook. Van
reclametekstschrijvers zegt men omgekeerd weer niet dat zij publiceren,
hoewel zij misschien de mooiste oplagen hebben. Dit vraagstuk is dus niet
zo simpel. Wat mag mijn uitgever bedoeld hebben? In 1958 solliciteerde
ik eens bij een ambtelijke dienst waar men een "redacteur" vroeg. Tijdens
het sollicitatiegesprek vroeg men mij of ik "gepubliceerd" had. Ik was een
jaar lang alleenredacteur van een weekblad geweest, waarin ik praktisch
alle rubrieken, zelfs de astrologische, zelf schreef, en had enkele
reisverslagen in een provinciaal dagblad afgedrukt gekregen. Had ik
gepubliceerd? Hoe wist ik dat mijn vragensteller dat alles niet bedoelde?
Hij wilde horen of ik wetenschappelijke publicaties op mijn naam had
staan. Dat was niet zo en ik was dus "slechts" journalist. Van het
gezichtspunt van de dienst uit terecht werd ik heel laag ingeschaald. Toch
was ik wel degelijk publicist, waarschijnlijk meer dan wanneer ik enkele
wetenschappelijke publicaties had verricht. Maar ik was geen schrijver.
Men is natuurlijk pas schrijver als men romans of korte verhalen heeft
gepubliceerd. Met gepubliceerde gedichten is men dichter. Met
toneelstukken toneelschrijver. Nou ja, en zo voorts. Ik heb geen zin meer
dit verder uit te melken. Langzamerhand kom ik
echter wel op een ander idee. Al experimenterende met het maken van een
tijdschrift, kan ik best - en passant - experimenteren met het
schrijverschap. Ik moet toch schrijven. En afgezien van mijn zorg voor het
maken van het blad, heb ik niks beters te doen. Ik kan dus zeggen dat het
mijn uitsluitende bezigheid oftewel mijn beroep is. Ziehier dus mijn
kaartje

Ik had nog iets willen zeggen over het probleem van de multi-culturele samenleving, over het basisinkomen en
andere kleinigheden. Tot de volgende keer dan maar. Tata.
Postscriptum
Men maakt er mij opmerkzaam op dat er een aantal verkeerde afkortingen in het voorgaande zitten. Je ziet zulke
dingen ook in andere uitgaven en ik had ze in de mijne willen voorkomen. Na wat gepruts heb ik het opgegeven om
ze eruit te halen. Brutus: "Tu quoque, Antonie!"
de langzame zee van de ziel
wie weet waar willem wouters woont
de langzame zee van de ziel
alles heeft
hetzelfde soortelijk gewicht
|