Een model voor zelfreflectie

Ton Lenssen

Een poos geleden denkende en schrijvende over "Mosaiek" realiseerde ik mij dat ik veel geleerd heb in - niet van - Maastricht.
Dat was in de tijd dat ik er redacteur was, bij het bedrijf van Openbare Werken. Mijn functie hield in dat ik "de van de dienst uitgaande stukken" controleerde op "taal, stijl en logica". Iedere snipper beschreven of betiept papier ging via mijn bureau en werd pas getiept als ik er mijn fiat aan had gegeven. Die bevoegdheid oefende ik natuurlijk uit in naam van de directeur, maar hij veranderde zelden iets in een stuk dat ik had gefiatteerd. Elke ochtend deponeerde de chef van de afdeling "Archief en Correspondentie" dus een stapel concepten in mijn inbakje, links op mijn bureau, en ‘s avonds haalde hij de stapel weg uit het uitbakje, rechts op mijn bureau. (Was het inbakje niet leeg dan kreeg ik flink op mijn kop.) Was een ontwerpbrief niet te redden, dan schreef ik hem zelf, hetgeen neerkwam op een productie van mij van 1600 brieven per jaar. (Zie de jaarverslagen van destijds.)
Dit werk heb ik bijna vijf en een half jaar gedaan, zes dagen per week. Je leert daar natuurlijk ontzettend veel van. Niet alleen hoe je een - ambtelijke - brief moet schrijven, maar ook waar het over gaat bij zo'n dienst. Het eerste komt tot uitdrukking bij de controle van de taal en de stijl, het tweede bij die van de logica. Die ligt immers opgesloten in de vakkennis. Bij OW Maastricht werden vele vakken beoefend en was er dus een grote verscheidenheid aan vakkennis aanwezig.
Om daarvan een beeld te krijgen moet men de organisatie van de dienst bestuderen. Misschien, heb ik altijd gedacht, hoorde niet alles even harmonisch erbij. Er was in ieder geval een kern en een rand. Tot die laatste hoorden wellicht de afdelingen "Plantsoenen" en "Reiniging". Tot de kern daarentegen hoorden de afdelingen ruimtelijke plannen (incl. de tekenkamer), "Stadsontwikkeling en sanering" geheten, en "Statistiek", terwijl tot de uitvoering van de plannen "Onteigening" en "Weg- en waterbouw" nodig waren. Tenslotte was er een hoofdafdeling administratie waar de financiën, de personeelszaken en archief en correspondentie waren ondergebracht.
De stedebouwkundige zat niet op de stedebouwkundige tekenkamer, maar had zijn eigen tekentafel. Hij maakte schetsen en ontwerpen. Er waren ook afdelingen waar de Woningwet, de Hinderwet, de Verkeerswet en de Drank- en Horecawet werden "uitgevoerd", d.w.z. waar adviezen aan B&W werden gegeven over de te verlenen bouwvergunningen, hinderwetvergunningen, enz. Het schijnt dat Van der Venne, de toenmalige directeur, deze organisatie bedacht had en als voorwaarde voor zijn komst naar Maastricht had gesteld dat zij werd ingevoerd. Ik kan mij niet meer herinneren of de stadsarchitect aan de dienst was verbonden danwel een afzonderlijk bureau had.
De mensen van de dienst die nadachten over de ontwikkeling van de stad, de stadsontwikkeling, zoals het officieel heette, waren de directeur (en de adjunct-directeur), de stedebouwkundige, de stadsarchitect, de chef van de afdeling statistiek en de staffunctionaris. Weg- en waterbouw, onteigening, sanering brachten natuurlijk ook materiaal in, maar dat was niet creatief, maar, net als statistiek, van feitelijke aard, dingen waarmee rekening moest worden gehouden. (Er ging geen stuk hierover de deur uit zonder dat ik het als redacteur - niet als notulist, dat was de directiesecretaresse - gezien en geredigeerd had. Dit impliceerde dat ik ruim vijf jaar vakmatig gelezen en geschreven heb over de ruimtelijke ontwikkeling van een stad en over de toepassing van de bovengenoemde wetten.)
Nota bene, de enige Maastrichtenaar van deze "creatieve" functionarissen was de chef statistiek, dr. J.N.G.M.A. Viegen, een socioloog en cultuurhistoricus. De stadsarchitect, Ir. Dingemans, de stedebouwkundige, H.H. van der Wusten, en de staffunctionaris, Hr. De Groot, waren Hollanders, de directeur zelf, drs. J.J.J. van de Venne, een sociaal-geograaf, kwam uit Schinnen of daaromtrent, de adjunct-directeur, Hr. Heijnens, was ook alweer een Hollander, evenals de nog pas een paar jaar geleden overleden Hr. Loeffen die ook zo iets als adjunct-directeur was. Deze structuur deed mij vaak denken aan de personeelsbezetting bij de staatsmijnen. Ook daar werden de beslissende stemmen uitgebracht door Hollanders. Van een stad als Maastricht had ik dat niet verwacht.
Er zaten wel veel Maastrichtenaren op 't secretarie, van diploma's GA 1 en GA 2 voorziene ambtenaren, die de adviezen van - o.a. - Openbare Werken moesten klaarmaken voor B&W. Dat kwam zeer grotendeels neer op het overnemen van die adviezen of het afremmen van creatieve oplossingen. Deze bureacraten werden door de mensen van O.W. dan ook de "remmers" genoemd waarbij naar gelang het GA 1 dan wel GA 2 opgeleiden betrof, onderscheid werd gemaakt tussen "remmers" en "hoofdremmers" en zelfs "(hoofd)remmers eerste klas".
Ik vrees dat ik met dat beeld van Maastricht - dus, creatief = niet-Maastrichts, remmen = Maastrichts - verder door het leven ben gegaan.
Om te begrijpen hoe het beleid inzake de stadsontwikkeling - afgezien van het onderscheid tussen ontwerpers en remmers - indertijd tot stand kwam, moet men de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het Besluit op de Ruimtelijke ordening van toen kennen. (Sindsdien zijn die wetten aanzienlijk veranderd en aangevuld, maar dat is nu niet aan de orde.) Opvallend was dat het in eerste instantie niet ging om "visie" of conceptie, maar om studie. Pas geleidelijkaan, naarmate het studiemateriaal beschikbaar kwam werd de ontwikkeling van de visie, die er tenslotte wel degelijk moest komen, toegelaten. Was die toegevoegd, toen nog in het uitbreidingsplan, thans in het bestemmingsplan, dan kon het stadium van de plannenmakerij beginnen. In deze drie fasen voltrok zich een proces van reflectie, ja, liefst van zelfreflectie. De plannen moesten immers passen in een structuurplan dat de algemene ontwikkeling aangaf en waarin de dienst OW ook aanzienlijke bijdragen had geleverd. Om de "span of control" van de dienst te beperken, want dit kon best uitlopen op een total(itair)e planning, merkte men graag op dat het ging om de ruimtelijke ontwikkeling en niet om de algemene. Elke ontwikkeling echter had ruimte nodig, net als geld, accommodatie en mankracht, en in feite had OW te maken met elke ontwikkeling, of die nu op het gebied van het onderwijs lag of vervoer of wat dan ook. Voor alles was ruimte nodig. De dienst kon het niet stellen zonder een overzicht van alle ontwikkelingen en in eerste instantie van alles wat de stad aanging. Het is duidelijk dat hier een grote mate van analyserend en synthetiserend denken en creatief ontwerpen nodig was. De wetgeving leverde daar de categorieën voor.
Over "totalitair" gesproken, een bestemmingsplan waarin een hele stadswijk was begrepen, besprak en plande alle facetten - of wat men liever zei: functies - van zo'n leefgemeenschap. En in het structuurplan ging het om reflectie over de stad als geheel. Is het wonder dat ik aan dit werk een bepaalde geestelijke vorming overhield, een zorgvuldigheid in het onderzoek naar de feiten, een gevoel voor het creatieve of artistieke in het beleid, een degelijkheid in het maken van plannen, een realiteitsgevoel voor de uitvoerbaarheid ervan en nauwlettendheid bij de daadwerkelijke uitvoering, maar vooral een overzicht over al deze facetten van het denken. Ik heb dit altijd een prachtig beeld van samenwerking tussen verschillende soorten disciplines gevonden: wetenschap en feitenverzameling, ontwerpen, plannenmakerij, uitvoering. Liefst aangevuld met evaluatie waarmee het denkproces opnieuw kan beginnen en een permanent karakter krijgt.
Ik ben geen stedebouwkundige geworden, wel een jurist. Ik heb een einddoctoraalscriptie over de Wet op de ruimtelijke ordening geschreven, later, in 1965, toen ik werkte bij de planologische dienst van de provincie Utrecht en in de avonduren rechten studeerde. Het algemene karakter van de bezinning op de ontwikkeling van een stad als Maastricht stelde mij nog weer later in staat om voor de gemeente Utrecht de zogenaamde Management-nota te schrijven waarin de organisatie van het hele stadsbestuur werd georienteerd op het ook in het openbaar bestuur opkomende managementdenken. Ik ben geen stedebouwkundige geworden, maar heb negen jaar lang dagelijks over dat vakgebied geschreven. Dat was, om met Drion te spreken, "denken zonder diploma"! Oftewel, ik weet er wel iets van.
Het meest fascinerende vond ik die reflectie over een stad, in het bijzonder in de uitgedifferentieerde en genuanceerde vorm waarin dat op mijn werk moest gebeuren. Vooral dit, die uitgewerkte vorm, heeft mij in staat gesteld te begrijpen waarin openbaar bestuur bestaat. Bij mijn later onderwijs had ik hier in ieder geval heel veel aan. In mijn persoonlijke leven, dus zeker toen ik gepensioneerd was, heb ik er veel ellende van ondervonden. De meeste mensen begrijpen hier immers niets van. Zij denken dat openbaar bestuur een kwestie van politiek of van techniek is en dat politiek niet meer is dan een zootje pasklare of door te drukken opvattingen, terwijl techniek iets is dat de deskundigen "gewoon" doen. Dat is dus niet zo. Conversatie met mensen die niet thuis zijn in de nuances is dan ook uiterst frustrerend.
Een opvatting is weliswaar een mening - en geen "waarheid" - maar dat betekent niet dat zij niet gefundeerd is. De goede opvatting is het topje van een ijsberg, het resultaat van het verzamelen en bewerken van gegevens, van redeneringen en creatieve concepten. Het is geen wonder dat een plan, bij voorbeeld een streekplan of een bestemmingsplan, jaren van voorbereiding nodig heeft. Dat ligt niet aan het feit dat de overheid zoveel instanties telt, maar aan het feit dat er zo verschrikkelijk veel punten in de beschouwing moeten worden betrokken. (Zo'n punt is natuurlijk wel afkomstig van een in de materie gespecialiseerde instantie. In zoverre ligt het wel aan de veelheid van instanties.)
Er ligt in dit werk, zoals ik geleidelijkaan heb begrepen, een model opgesloten, een model voor reflectie en voor zelfreflectie. Ik heb het - met varianten - successievelijk leren toepassen op gemeentelijk, provinciaal, landelijk, Europees en mondiaal niveau, telkens in mijn loopbaan opschuivend van gemeente, naar provincie, naar land, naar regio, naar de wereld, via het gemeente-, provinciaal, nationaal, Europees en volkenrecht. Ik heb het ook leren toepassen in het bedrijfsleven en bij non-profitorganisaties. Niet overal precies hetzelfde, maar als model, dus als uitgangshypothese. Het combineert wetenschap en feiten met visie, begrip, idee, bestuur, politiek, filosofie. Het is voor deze samenlevingsvormen, en dus zeker voor een stad, een mooi model voor zelfreflectie.
Volledigheidshalve voeg ik hieraan toe dat dit alles (nog) geen rechtsdenken is. Het heeft mij dan ook giga moeite gekost om van daar af over te gaan naar het juridische denken. Het is immers grotendeels een instrumenteel, een technisch denken, wat het rechtsdenken niet is. Hierover echter een andere keer.

Maastricht, 24 april 2007.

Mosa(kron)iek


"Onderhoud" van de plantsoenen in het Waldeckpark! (Foto genomen op 22 februari 2007



Uitbreiding van het wegennet


Kindvriendelijke buurt of gebrek aan sportvelden? De gemeente komt er zo goedkoop vanaf.


MOSAIEK

In 1963 gaf ik in Maastricht “Mosaiek. Maandblad voor cultuur en politiek” uit. In het vierde nummer stond een artikel van de helaas jong gestorven Joep Kreykamp, getiteld “Het ontstaansklimaat van ‘Skoop’”. Dat heb ik altijd een mooie titel gevonden en ik doe hier een poging oftewel ik schrijf hier een essay over het “ontstaansklimaat van “Mosaiek’”.
De naam gaf aan dat het blad uit Maastricht, Mosae trajectum, kwam. Hij zinspeelde echter ook op “mozaiek”, dat volgens Van Dale “een werk van steen, glas enz., bestaande uit een groot aantal kleine, verschillend gekleurde stukjes die met elkaar een beeld of figuren vormen” is. (“Mosaisch” zou verkeerd zijn geweest.) Of wij, de redacteuren, allemaal verlangden naar de vorming van een beeld of figuren betwijfel ik. Zo iets veronderstelt immers een compositorische eenheid en wij streefden in de eerste plaats naar verscheidenheid. Wij wilden ons juist verzetten tegen de hier geldende dogmatische eenvormigheid van het mgr. lemmensiaanse katholicisme en een alternatief ontwikkelen. In de door mij geschreven “Ter auto-introductie” proclameerde ik: “In dit blad kan ieder zeggen wat hij wil. Dat is een van de redenen van zijn bestaan. … Naam en opzet bieden voldoende ruimte voor veelzijdigheid, voor een zo groot mogelijke belangwekkendheid voor een zo groot mogelijk aantal mensen.”
Vlak voor de verschijning van “Mosaiek” had er op Geerlingshof in Valkenburg een conferentie plaatsgevonden over het oprichten van “één representatief tijdschrift voor Limburg”. Dit “zou dan de resultante moeten zijn van de samenwerking tussen de culturele verenigingen en instanties”. “Hm,” was mijn commentaar daarop, “Een dergelijk tijdschrift zou natuurlijk wel erg officieel zijn; maar ook representatief?” De culturele verenigingen en instanties zaten natuurlijk vol met goed in de geest van Pius XII en bisschop Lemmens getrainde stalen kaders. Zo’n woord “instantie” alleen al maakte ons volstrekt kopschuw.
Niet dat wij allemaal anti-katholiek waren. In zijn eerste bijdrage, “Politieke wereldproblematiek anno 1963”, refereerde mijn mederedacteur Harry Weijl aan “de recente maar reeds beroemde encycliek ‘Pacem in terris’” van Paus (let op de hoofdletter!) Johannes XXIII. Deze wees op drie emancipatiebewegingen (van de arbeidersklassen, van de vrouwen en van de koloniën) die kenmerkend waren “voor onze tijd”. Volgens Harry was deze emancipatiebeweging “een manifestatie van de strijd voor de democratie”. Deze strijd nu “is momenteel – vooral door de in ‘Pacem in terris’ genoemde emancipatiebewegingen - in een zodanig stadium gekomen dat hij is gaan behoren tot de allerbelangrijkste elementen die de wereldsituatie en de ontwikkeling ervan bepalen.” Harry schaarde zich in “de strijd voor de democratie” en definieerde van daaruit onze “benaderingswijze”. “Aan de basis (ervan) zal moeten liggen het bewustzijn van de geweldige omvang der gewijzigde verhoudingen en de daarmee verbonden problematiek, maar ook het bewustzijn van de geweldige omvang der nieuwe mogelijkheden.” Een Fukuyama avant la lettre?
Het artikel van Weijl werd gevolgd door “Eisenstein” van Harrie van Vloten. Hij had de film “Pantserkruiser Potemkin”, die door de net herboren Filmliga was vertoond, opnieuw gezien en werd erdoor geïnspireerd tot een essay over “de montage-theorieën” die door Eisenstein waren ontwikkeld.
Dat deze film vertoond was, was te danken aan een ander tot het “ontstaansklimaat” behorend verschijnsel, de wederoprichting van de Maastrichtse Filmliga. Ik had daar ook de stoot toe gegeven. In 1962 had ik in het “Hollands Weekblad” het verhaal Götterdämmerung gepubliceerd. Mijn vriend Krit Verhoeven, de eerste voorzitter van de nieuwe Filmliga, zag er een scenario in voor een door hem te maken korte film. Het scenario kwam er, de film niet. Onze aandacht verplaatste zich naar de cinematografische situatie in Maastricht. Er werden daar alleen maar gecensureerde en gekuiste films vertoond door een bedrijf dat nauw gelieerd was aan het bisdom. Het ging er nog aan toe zoals in het begin van “Cinema Paradiso”. Dat er in Maastricht geen liberaler filmaanbod was viel mij van die stad zwaar tegen. Het – typisch Maastrichtse – gekanker over deze droevige toestand, waaraan wij ons in de “Vogel Struys” overgaven, zat, stelde ik voor de bestaande filmliga over te nemen. Krit was uiterst skeptisch. Het bestuur ervan was in handen van vijf Maastrichtse culturele verenigingen, het Genootschap Nederland-Amerika, de “Circulo Cervantes”, “Dante Alighieri”, het Genootschap Nederland-Engeland en de Limburgse Kunstenaarsvereniging. Als ik de moed had dat bastion van conservatisme aan te vallen was Krit wel bereid met mij mee te gaan op bezoek bij de voorzitters van deze clubs om de zeggenschap over de liga los te peuteren. Dankzij ons goede voorkomen (stropdassen!) slaagden wij wonderwel in onze opzet en de Filmliga werd van ons. Krit werd voorzitter en ik secretaris. (Zo hoorde het ook, vond ik, ik was immers een schrijver.)
“Pantserkruiser Potemkin” was een van de eerste films die wij in een afgehuurde bioscoop draaiden. In no time hadden wij 800 leden, “allemaal” mensen die graag vergast werden op Nouvelle Vague en ander neo-realistisch werk, zoals “De brief die nooit verzonden werd”, “De man met de camera”.
Ad maiorem gloriam Mosae trajecti moet ik hier aan toevoegen dat ik mijn liefde voor de film had opgedaan op Rolduc waarvan de prefect (“de pie”), Houben, die een schitterend filmprogramma had ontwikkeld, uit Maastricht kwam. Elke maand zagen wij een van de nieuwste films, de meeste neo-realistisch. Dat was nog in de 40er jaren geweest, maar na Rolduc was ik de cinema trouw gebleven met vrijwel wekelijkse bezoeken.
Mijn liefde was tijdens mijn eerste Utrechtse periode zelfs nog verhevigd door de kennismaking in 1956 met de bovengenoemde Joep Kreykamp die volstrekt starnagel filmgek was, waarover verderop.
Om terug te komen op het artikel van Harrie van Vloten, zo’n bijdrage als hij aanbood was mij zeer welkom. Ik was uiterst gevoelig voor “de rijkste vorm van montage” die Eisenstein zelf de “polyfonische” noemde, maar het was mij ook duidelijk dat hier een stuk modernisme werd uitgelegd waartoe ook o.a. het kubisme en de art deco hoorden en menige door mij zeer bewonderde roman. Ik kan het mij niet meer precies herinneren, maar het zou mij niet verbazen als ik in die montage-techniek niet een prachtig exempel heb gezien van wat mij met “Mosaiek” voor ogen stond.
Schreef Harry Weijl over het kenmerkende voor onze tijd, ik produceerde een “Diagnose van onze tijd”. Ik beriep mij voor de ontwikkeling daarvan niet op enige paus, maar op Heidegger. Ook wel een paus, maar zonder hoofdletter, behalve voor de existentialisten. Met het existentialisme had ik kennis gemaakt in het begin van de 50er jaren. Mijn vader had een exemplaar van “Het Vijf en twintigste Uur” van Virgil Gheorghiu – net zo’n avonturenroman als de “Divina Commedia” een komedie is - dat ik ook gelezen heb. Het werd ingeleid door een tekst van de Franse filosoof Gabriel Marcel, die toevallig in die tijd in Geleen een lezing gaf die ik bezocht heb. Niet dat ik veel van zijn Frans en gedachtenontwikkeling kon volgen, maar het bracht mij op lectuur over het existentialisme die ik in het Nederlands en in langzamer tempo tot mij kon nemen. Ik begreep dat ook Karl Jaspers, Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre tot deze richting hoorden en dat Kierkegaard, Nietzsche en Dostojewski er eveneens bij gerekend moesten worden, ja, zelfs een aantal “verdoemde dichters” en onze Vijftigers. Dit existentialisme doe ik wellicht geen onrecht als ik zeg dat het een “actualisme” was en dat kwam mij heel goed uit, want ik was daar in Utrecht met volle overgave (“geheel de mens”!) weekbladjournalist geweest en had over de toestand in de wereld geschreven, over de strijd om het Suezkanaal en de bouw van de Assoeandam, over de operaties van Frankrijk in Algerije, over “1956” in Hongarije en wat dies meer was. Als er iets belangrijk was, dan was het “Existenzerhellung” (Jaspers) die ik opvatte als orientatie in de actualiteit. En dit existentialisme du chef miste ik in het Limburgse klimaat anno 1963. Men moest maar eens geconfronteerd worden met een echte filosoof, zo iemand als Heidegger, men moest zich maar eens bewust worden van zijn eigen Dasein. Men wist natuurlijk in zijn katholieke gezapigheid niets van de “metafysische krisis van het Westen”. Metafysische krisis? We hadden toch het neothomisme? Op sommige borrels werd daar wel over gesproken (evenals over Teilhard de Chardin en de vraag of de mens van de aap afstamde), maar daar kwam ik weer niet, die waren voorbehouden aan de leden van de besturen van de “culturele verenigingen en instanties”, alias het establishment.
Wat beweerde Heidegger? Ik zal het hele artikel nog eens overtypen, maar volsta hier met dat wat ik toen het meest affronterende dacht te zijn. Heidegger poneerde het verval van de westerse cultuur. Hij schreef dit toe aan onbegrip van dat wat er is, dat wil zeggen van het zijnde. De Grieken hadden het nog begrepen, maar de Romeinen al niet meer en van de laatsten dateerde ons wanbegrip. De Grieken hadden het woord “fysis” dat het “opduiken en verrijzen, het spontane ontvouwen dat voortduurt” betekende, m.a.w. het worden, ja, het manifest worden van het zijnde, dat steeds meer manifest wordt naarmate men er meer aandacht aan besteedt. Weten nu was volgens Heidegger “staan in de manifestheid van het zijnde” en dit staan “veronderstelt het vermogen om manifest en steeds meer manifest te maken, m.a.w. om het zijnde open te houden, om het niet voor afgerond en gesloten te houden. Daartoe is het vragen, het onderzoeken, het leren nodig, een houding die het zijnde laat zijn wat het is.” Ik dacht toen dat ik dit openstaan had ontmoet in de realistische en polyfonische romans van schrijvers als Stendhal, Dostojewski, Tolstoi, Gogol, Flaubert, Thomas Mann van wie ik grif aannam dat zij de romanschrijverij als zodanig vertegenwoordigden. (Ik verbaas mij dan ook allerminst als Rüdiger Safranski de “À la recherche du temps perdu” een fenomenologische studie noemt.) Van deze openheid had de van scholastiek doortrokken atmosfeer alhier natuurlijk geen kaas gegeten. (Dat was kaas zonder gaten.)
Dat was het eerste nummer van “Mosaiek”. In het tweede nummer heb ik geprobeerd een nadere verduidelijking van onze doelstelling te geven. Ik dacht dat ene L.M. gelijk had die mij verweet niet duidelijk te zijn geweest. Nu ik het eerste nummer nog eens heb nagelezen, sta ik verbaasd over mijn duidelijkheid. Het was echter de duidelijkheid die de goede verstaander ziet. En ik heb misschien gedacht dat ik met anderhalf kantje tekst de Limburgse mentaliteit kon veranderen.
Waarin bestond deze helderheid? Door een gelukkige samenloop is het een modernistisch manifest geworden. Democratie, polyfonie, existentie, fenomenologie waren de hoofdthema’s, de toonzetting was ironisch, al post-modernistisch. Hieraan deed niet af dat het vierde lid van de redactie, Hans Derks, zich in het tweede nummer uiterst sarcastisch over de fenomenologie uitliet. Op de omslag daarvan stond echter een afbeelding van een mozaiek van de kunstenaar E. Laudy uit Heerlen, getiteld “Konig Eenoog” en dat mozaiek was het blad van een tafel van Hans.
Na vier nummers was mijn geld op. Er waren behoorlijk veel abonnés gekomen, maar het ging te langzaam. Dat het overigens goed ging met het blad blijkt uit de bijdragen en de bijdragers. Werd het eerste nummer nog volgeschreven door drie van de vier redacteuren, in het laatste staan naast die van Harry Weijl en mijzelf artikelen van Hans Derks, van Willem K. Coumans (een over de toen nog jonge Shinkichi Tajiri en een over de tentoonstelling “Kunst ohne Grenze Art sans frontière Kunst zonder grens” in “Het Land zonder Grenzen” (= Limburg)) en van Joep Kreykamp, alsmede een gedicht van Huub Oosterhuis en een reactie van Br. Sigismund Tagage. Verder is het nummer rijk geïllustreerd met foto’s en tekeningen, terwijl het formaat verdubbeld is en het geheel gedrukt is op glanzend papier. Toen al een glossy!

Ton Lenssen, Maastricht 24 april 2005