|
Nussbaum, Martha C., Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life, Boston 1995.
XIX + 143 blz. f. 60,-.
Martha
Louise Craven Nussbaum promoveerde in 1975 op "Aristotle's De motu
animalium", op welk werk de UB van de UvA indertijd de trefwoorden
"Zoology, Pre-Linnean works; Animal locomotion" toepaste. Het was toen
zeker nog niet te voorzien dat wij twintig jaar later door haar zouden
worden getracteerd op een werk over de bezigheden van rechters. Algemene
bekendheid kreeg zij vooral door "The Fragility of Goodness: Luck and
Ethics in Greek Tragedy and Philosophy" (1986). En nu is er dan dit boekje
dat de titel "Poetic Justice" draagt, wat m.i. het beste kan worden
vertaald met "Dichterlijke rechtspraak".
"Dichterlijke rechtspraak"? Wat moet men zich dáárbij
voorstellen? Niet rechtspraak op rijm, maar vonnissen tot stand gebracht
met gebruikmaking van in de (roman-)literatuur ontwikkelde methoden van
benadering van individuele gevallen. "Justice" is natuurlijk een veel
ruimer begrip dan rechtspraak, maar in het boek van Nussbaum komt het
allemaal neer op het werk van rechters en juryleden. Haar stelling is niet
dat, zoals Walt Whitman heeft gesuggereerd, de rechters vervangen moeten
worden door dichters, maar dat de rechters (en juryleden) meer literair,
in het bijzonder op de manier van de roman, moeten denken. Dat levert
andere resultaten op dan wanneer zij alleen maar juridisch redeneren. Er
zit in de literatuur iets dat rechters goed kunnen gebruiken en waarmee de
gerechtigheid gediend is.
Dat is
uiteraard een uiterst pikante stelling. De huidige literatuur lijkt minder
dan ooit geschikt om er goede juristen mee te kweken, zeker in een land
als Nederland, waar zij er niet opvallend blijk van geeft rechters te zien
als fantasierijke, met verbeeldingskracht toegeruste figuren. In de tijd
van François Pauwels was dat nog anders, maar die is voorbij. Rechters
zijn in de Nederlandse literatuur niet eens meer figuren die de moeite van
het uitbeelden waard zijn, behalve misschien op een karikaturale
manier
.Het lijkt dan ook logisch, als je een dergelijke
stelling wil verdedigen, om uit te leggen wat je onder literatuur
verstaat. Nussbaum komt daarbij uit op definities die de literatuur op het
eerste gezicht ongeschikt lijken te maken voor het rechterlijke bedrijf.
De literatuur werkt met fantasie ("fancy") en vooral met emoties. Rechters
daarentegen zijn volgens haar de instrumenten van een door economie
bepaald politiek denken waarin de mensen ingedeeld, ingesloten en in
bedwang gehouden moeten worden zoals in de maatschappijen die beheerst
worden door Big Brother. Literatuur echter beweegt zich juist bij voorkeur
buiten het economische kader, opent daar landschappen en vergezichten
waarin de mens, als individu, meer tot zijn recht komt. Als rechters meer
literair denken kunnen zij zich veel beter indenken in de individuele
situatie en problematiek van de verdachten en zodoende beter recht
spreken.
Dat rechters de instrumenten zouden zijn van
uitsluitend economisch gemotiveerde politiek is een gedachte die in de
Verenigde Staten vooral is vertolkt door Richard A. Posner in zijn boek
"The Economics of Justice" (1981). Tegen hem lijkt zich het boek van
Nussbaum in hoofdzaak te richten. Posner, Judge Posner, heeft meer
geschreven, in het bijzonder "Law and Literature. A Misunderstood
Relation" (1988), waarin hij een overzicht geeft van probleemstellingen en
theorieën op het gebied van "recht en literatuur". In de Verenigde Staten
is dat hier en daar een vakgebied geworden, compleet met leerstoelen,
hoogleraren en specialistische tijdschriften. Het verschijnsel is in
Nederland niet onbekend, maar minder uitgewerkt dan in Amerika. Veel van
wat Nussbaum in haar boek te berde brengt komt uit een cursus die zij
begin 1994 aan de universiteit van Chicago heeft gegeven, dezelfde
universiteit waaraan, in de tachtiger jaren, ook Posner heeft gedoceerd en
nog eerder, in het begin van de 70er jaren de grondlegger van de "law and
literature movement", James Boyd White. Als "movement" is deze activiteit
overigens verbonden met de "critical legal studies movement", de
Amerikaanse beweging van kritische juristen. Een van de meest
vooraanstaande woordvoerders van deze kritische stroming is Richard H.
Weisberg die in 1984 debuteerde met "The Failure of the Word. The
Protagonist as Lawyer in Modern Fiction", o.m. in 1992 gevolgd door
"Poethics".
Ook ons land kent iets hiervan. In april jl.
verscheen het eerste nummer van het twee-maandelijkse blad "Karakters.
Tijdschrift voor literatuur en recht." Iets eerder was te Leiden door J.
Gakeer een proefschrift ("De macht van het woord") verdedigd over de
genoemde James Boyd White. In 1984 had het juridische studentenblad "Ars
Aequi" een thema-nummer gewijd aan het onderwerp en in het midden van de
70er jaren heeft het maandblad "Letterkundig-Staatsrechtelijke Berichten"
zeven nummers gekend. En al in 1968 was G.C.J.J. van den Bergh
gepromoveerd op het mooie "Themis en de Muzen". Op een beweging is dit
alles hier te lande intussen niet uitgelopen, temeer omdat het niet erg
paste in de neo-marxistische en structuralistische tendenzen in het
alternatieve denken of daarin destijds niet snel genoeg verwerkt is kunnen
worden. (Ik denk eigenlijk het laatste.)
Het
probleem dat Nussbaum stelt, - of rechters iets hebben aan literaire
vorming - is slechts een deelprobleem van het gehele vak zoals het wordt
gedefinieerd. Men bestudeert er ook die literatuur in waarin juridisch
relevante dingen voorkomen en omgekeerd de interesse die het recht voor de
literatuur kan hebben. Het laatste kan men zich het gemakkelijkste
voorstellen. Hiertoe behoren vraagstukken van censuur, smaad e.d. Men kan
echter ook denken aan methodologische belangstelling waarbij de
rechtsgeleerdheid onderzoekt wat zij van de literatuurwetenschap kan leren
(om tot de conclusie te komen dat de juridische hermeneutiek veel ouder en
veel verfijnder is dan de literaire en zelfs de
theologische).
De
literatuur waarin juridisch interessante dingen voorkomen, is immens. Ook
dit gebied ziet men heel snel als men er eenmaal op is geattendeerd. Ik
hoef maar te herinneren aan de befaamde "Rumpole" van de Engelse auteur
John Mortimer. Sommige beoefenaren van het vak werken aan een canon van in
aanmerking komende romans en andere literaire werken, zoals toneelstukken.
Posner pleit voor de opneming in deze canon van in ieder geval werken van
de volgende auteurs: Mark Twain, Albert Camus, Shakespeare, Christopher
Marlowe, Sophokles, Susan Glaspell, Kafka, Arthur Koestler, Dickens,
Herman Melville, Dostojewski. Dit zijn alleen nog maar Posners "prime
candidates". Weisberg had zich in "The Failure of the Word" gebaseerd op
Dostojewski, Flaubert, Camus en Melville, terwijl hij in "Poethics" veel
ontleent aan o.a. Faulkner en John Barth. Voor Nederland zou men o.a.
kunnen denken aan Emants, Couperus en Bordewijk. Het gebied breidt zich
trouwens razendsnel uit, nu er steeds meer literatuur verschijnt waarin
juridische problemen in het middelpunt staan. Denk maar aan de "legal
novels" van o.a. John Grisham die zich in een enorme populariteit
verheugen. (Men kan, wat die belangstelling betreft, ook denken aan "legal
films" waarvan uiteraard een groot aantal verfilmde "legal novels" zijn,
maar die vaak ook oorspronkelijk werk laten zien, zoals "L.A. Law", "Blind
Justice" of ons eigen "Pleidooi". Het vakgebied van de
"rechtscinematografie".)
"Law
and Literature" is in de VS zowel een vak als een kritische beweging. De
laatste is gebaseerd op de stelling dat de literatuur een humaniteit
vertoont waaraan de juristen een voorbeeld kunnen nemen. Daarmee wordt een
moralistisch element in de discussie ingevoerd dat blijkbaar ook ethici
als Nussbaum aantrekt en het veld van discussie uitbreidt tot buiten de
rechtsgeleerdheid en de literatuur. Overigens is het zo dat de discussie
in hoofdzaak gevoerd wordt door juristen. Hoewel er talloze schrijvers
over het recht schrijven, is mij van de kant van de literatuurtheorie geen
verhandeling bekend over bij voorbeeld de "juridische roman". Men kent
daar blijkbaar alleen nog maar de psychologische en de sociale roman. Zou
het genre, evenals dat van de politieke roman, echter niet juist heel
interessante experimenten met de geëngageerde roman kunnen
opleveren?
Hoewel de stelling
van Nussbaum zo aannemelijk is dat zij zich nauwelijks van een
open deur onderscheidt, - natuurlijk is het goed dat rechters ook eens een goede roman lezen -
kan ik mij toch ook voorstellen dat zij een zekere, gerechtvaardigde wrevel oproept. Is het
niet naief om zoveel heil te verwachten van roman-literatuur? Is de roman-literatuur er wel op
uit om dit soort lering te verstrekken? Heeft zij zich de laatste honderd jaar niet juist beijverd
om zich van het openbare leven en de maatschappij te distanciëren, ja, er zich tegen af te
zetten? Nussbaum praat trouwens over literatuur alsof er maar één literatuuropvatting bestaat. Er
is geen spoor van historische analyse in haar boek, geen enkele stroming wordt
onderscheiden, zij spreekt voortdurend van "de" literatuur. En is wat de literatuur wel aan de hand doet,
zal de jurist vragen, niet al in het rechtsdenken verdisconteerd? Nussbaum zegt "het
traditionele juridische redeneren" niet te willen opheffen, maar alleen aan te vullen, maar zij
onderzoekt niet of wat zij in de literatuur vindt, niet onder een wellicht andere naam al door de
juristen ontwikkeld is. Tenslotte gaat men er in de rechtsgeleerdheid allang niet vanuit dat de rechter
een wetsautomaat is en zeker in de 20e eeuw heeft de rechtsgeleerdheid haar methoden
uitermate verfijnd, zodat er een heel uitgebalanceerde hermeneutiek is gegroeid. Daarbij heeft men ook
veel zorg besteed aan een meer individualiserend denken. Men vraagt zich bij deze stand van
zaken af of de uiterst gedetailleerde methodologische studies sinds pak weg von Savigny en
het casuïstische werk in de praktijk op één hoop geveegd kunnen worden onder het etiket
"traditioneel juridisch denken".
Ton
Lenssen, Amsterdam, 21 mei 1996
|